Verlichting

Een gemiddeld Belgisch gezin verbruikt jaarlijks 720 kWh voor verlichting. Verlichting neemt hiermee ongeveer 15 à 20% van het totale energieverbruik voor zijn rekening. Via de onderstaande tips kan je het verbruik echter wel terugschroeven:

De verlichting heeft de laatste jaren een geweldige evolutie gekend: de klassieke gloeilampen en de halogeenlampen – door hun bijzonder laag rendement echte energievreters - zijn dankzij een verbod op hun verkoop binnen Europa totaal van de markt verdwenen om plaats te maken voor spaarlampen (compacte fluorescentielampen), ecohalogeenlampen (IRC, met een 30% hoger rendement dan hun voorgangers) en leds.

De zuinigste lampen zijn momenteel de TL’s, de spaarlampen (eigenlijk kleine, geplooide TL’s) en ledlampen. 

eclairageNL.jpg 

De variëteit aan lampen is nog nooit zo groot geweest, vooral qua vorm, (peer- of kaarsvorm, staafvorm,  ringvorm, capsule, spot, schijf, strip…), afmetingen en beschikbare voetjes (klassieke E27- of E14-schroefvoet, R7- of S14-staaf, TL8 en TL5, G-capsulevoetje, GU-bajonet- of bipin-voetje,…).

Ledlampen  hebben bovendien aan een indrukwekkend tempo de markt veroverd, zijn nu beschikbaar in alle mogelijke vormen, hebben veel aan lichtkwaliteit gewonnen en zijn aanzienlijk goedkoper geworden. Sinds kort zijn ze eigenlijk volwaardige alternatieve lichtbronnen geworden.

 

 

Door een lichtplan op te stellen, kan je eveneens besparen. Door de juiste lampen op de juiste plekken te gebruiken, kan je immers met minder lampen (minder energie) een betere verlichting in huis halen.

Belangrijk hierbij is het onderscheid tussen basisverlichting en accentverlichting :

  • De basisverlichting in een ruimte bestaat uit een meer diffuus, verspreid licht dat prettig aanvoelt omdat de contrasten tussen licht en donker verkleinen. Spaarlampen zijn hiervoor zeer geschikt en bieden veel comfort voor weinig energie.
  • Voor accent- en taakverlichting kies je best voor gericht licht van spaarlampen of spaarspotjes, om een voldoend hoge lichtsterkte op één plaats te hebben. Zorg er ook voor dat deze verlichting makkelijk kan uitgeschakeld worden wanneer ze niet (meer) nodig is.

Te grote verschillen tussen de basisverlichting en de de taakverlichting kunnen leiden tot verblinding en vermoeidheid omdat je ogen zich telkens moeten aanpassen, maar te kleine verschillen creëren daarentegen een monotone ruimte zonder reliëf. Het is m.a.w. belangrijk om een goed evenwicht te vinden.

In tegenstelling tot wat men vaak beweert, is het beter de lichten onmiddellijk te doven wanneer je een ruimte verlaat, zelfs al is dat maar voor korte tijd: het aan- en uitschakelen kost geen extra energie. Dit geldt ook voor spaarlampen en TL-buizen. Het is een misverstand dat TL-lampen snel slijten en veel energie bij het opstarten gebruiken (vroeger was dit zo maar deze lampen zijn inmiddels sterk verbeterd).

Daarom loont het tegenwoordig de moeite om al bij 3 minuten afwezigheid het licht te doven. Dit geldt ook voor de nieuwe generatie spaarlampen. Je moet enkel nog rekening houden met een vertragingseffect: spaarlampen bereiken pas hun maximaal rendement na enkele minuten. Dit betekent echter niet dat de lamp meer verbruikt.

Donkere wanden en vloeren absorberen een belangrijk deel van het licht dat er op valt. Lichte kleuren zorgen daarentegen voor een optimale weerkaatsing van het licht. Zij helpen dus om het beschikbare daglicht zo goed mogelijk te benutten, zodat je langer zonder kunstlicht kan. Met name lichte vensterbanken kunnen het daglicht verder de kamer inkaatsen. Hetzelfde principe geldt uiteraard voor het gebruik van kunstlicht ’s avonds: in kamers met lichte kleuren wordt het beter verspreid, zodat je lampen met een lager vermogen (minder Watt) kan gebruiken of minder lichtpunten nodig hebt.

Een goed onderhoud van je verlichting zorgt voor een efficiëntere verlichting. Door vuil en stof op de verlichtingsarmaturen of lampen gaat de lichtsterkte achteruit. Het is dus noodzakelijk om ze regelmatig schoon te maken.

Indien je op bepaalde plaatsen gebruik maakt van TL-verlichting kan het interessant zijn om reflecterende kappen toe te voegen. Hierdoor verkrijg je met minder armaturen dezelfde lichtopbrengst: je kan het aantal TL-buizen zowat halveren, wat ook een halvering van het energieverbruik oplevert. Indien je overweegt om nieuwe TL-verlichting te plaatsen, kan je vanuit dezelfde redenering onmiddellijk overwegen om armaturen te kopen met een spiegeloptiek.

Halogeenlampjes op laagspanning (12 Volt) zijn verbonden met een transformator die de netspanning (230 Volt) in laagspanning omzet. Wanneer de aan/uit-schakelaar van deze lampen zich echter tussen de transformator en de lampen bevindt, blijft de transformator nog energie verbruiken terwijl de lampen toch gedoofd zijn. Om dit te vermijden, plaats je de schakelaar best tussen het 230 Volt-circuit en de transformator. Zo worden bv. vaak kleine (elektronische) transformators op het vals plafond gelegd, vlakbij de plafondspotjes. Hetzelfde principe geldt uiteraard ook voor lampen die uitgerust zijn met dimmers.

Voorzie plaatsen die minder intensief gebruikt worden (een hal, kelder, garage, WC, oprit…) van een schakelklok (een “minuterie”), een bewegingssensor (infrarood-detectie) of een lichtsensor om uitsluitend te verlichten wanneer het nodig is.

Let er bij buitenverlichting op dat de spaarlampen vochtbestendig zijn. Koop dus uitvoeringen die daar speciaal geschikt voor zijn, anders gaat de lamp snel stuk. Compacte fluorescentielampen kunnen problemen vertonen bij vrieskoude, ledlampen daarentegen werken beter bij koude temperaturen en zijn dus uitermate geschikt als buitenverlichting.