NATIONALE LASTENVERDELING ('Burden Sharing')


Periode 2021-2030

Na de vastlegging van de 2030-doelstellingen op Europees niveau is ook hun verdeling tussen de Lidstaten nu gekend. Voor België is de reductie vastgelegd op -35% in 2030 in vergelijking met 2005. De vertaling ervan in tonnen CO2-equivalenten volgens een jaarlijks traject zal later door de Europese Commissie geacteerd worden in een uitvoeringsbesluit, gebaseerd op een volledige analyse van de laatste gegevens van de inventarissen voor de jaren 2005 en 2016-2018 (rapportering in het jaar 2020).

Op intra-Belgisch niveau is de bindende nationale doelstelling op het vlak van de uitstootvermindering en van de bijdrage aan de Europese doelstellingen op het vlak van energie-efficiëntie en de opwekking van groene stroom opgenomen in het werk rond het geïntegreerd Nationaal Energie-KlimaatPlan 2030 (NEKP), waarvan een eerste ontwerp  op 31 december 2018 ter kennis van de Europese Commissie gebracht werd (het finaal plan is voorzien voor 31 december 2019). Dit plan zal de basis vormen van voorstellen voor de verdeling van de lasten onder de verschillende entiteiten (federale staat en gewesten), maar zonder zich daartoe te beperken (andere elementen, zoals de klimaatfinanciering, zijn hier immers niet in opgenomen maar zullen wel aangepakt moeten worden). Deze fase van politieke onderhandeling is nog niet formeel opgestart.

 

Periode 2013-2020

Op 4 december 2015 - tijdens de klimaattop in Parijs (COP21) en na 6 jaar onderhandelingen - werd een politiek akkoord bereikt tussen de 4 ministers bevoegd voor klimaat over de verdeling van de Belgische klimaat- en energiedoelstellingen voor de periode 2013-2020. Dit akkoord was dringend nodig om ons land toe te laten haar engagementen in verband met het Europees klimaat-energiepakket na te komen.

Dit akkoord heeft betrekking op:
  

In het kader van de Europese Beschikking over de verdeling van de inspanningen heeft België de wettelijke verplichting om tegen 2020 de uitstoot in de niet-ETS-sectoren (binnenlands transport, gebouwen, landbouw, afval, …) met 15% te doen dalen t.o.v. 2005.

De federale overheid engageert zich in het lastenverdelingsakkoord o.m. tot:

  • het voortzetten van de bestaande beleidslijnen en -maatregelen (Policies and Measures, of PAM’s), voor een geschatte emissiereductie van 15.250 kton CO2-eq.
  • het implementeren van nieuwe PAM’s, goed voor bijkomend 7.000 kton CO2-eq. over de periode tot 2020. Deze bijkomende maatregelen zullen tegen eind 2016 worden geïdentificeerd.
  • het ontwikkelen van evaluatie- en toezichtmethoden, die tegen eind 2016 door de Nationale klimaatcommissie moeten goedgekeurd worden

De gewesten engageren zich om hun uitstoot volgens een lineair traject te beperken zodat ze tegen 2020 de volgende uitstootvermindering (t.o.v. 2005) realiseren:

  • Vlaams Gewest: -15,7 %
  • Waals Gewest: -14,7 %
  • Brussels Hoofdstedelijk Gewest: -8,8 %

De som van deze gewestelijke emissiereductie-engagementen komt overeen met de totale Belgische doelstelling, zoals vastgelegd in het goedgekeurde samenwerkingsakkoord. De verdeling is als volgt:

burden-sharing-NL.jpg

 

Tegen 2020 moet 13% (4,224 Mtoe = miljoen ton olie-equivalenten) van het bruto finaal energiegebruik afkomstig zijn van hernieuwbare energiebronnen. De verdeling daarvan is als volgt:

  • federale overheid: 0,718 Mtoe
  • Vlaams Gewest: 2,156 Mtoe
  • Waals Gewest: 1,277 Mtoe
  • Brussels Hoofdstedelijk Gewest: 0,073 Mtoe

Daarnaast dient het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen in alle vormen van vervoer in 2020 minstens 10% te bedragen van het eindgebruik van energie in deze sector. Rekening houdend met de beleidsinspanningen van de Gewesten op dit vlak, is de Federale Staat finaal verantwoordelijk voor het behalen van de doelstelling van die 10%.

Bovenstaande gewestelijke cijfers (voor de 13%) brengen de bijdrage van de Federale Staat in rekening van de bijmenging en het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen in de vervoersector, die het resultaat zijn van federale beleidsmaatregelen.

Eind 2017 en eind 2019 zal de geboekte vooruitgang geëvalueerd worden, onder meer in functie van het dan ingeschatte totale energiegebruik.

 

In de derde handelsperiode (2013-2020) van het Europese emissiehandelssysteem (ETS) worden alle emissierechten die niet gratis aan bedrijven worden toegewezen – ongeveer de helft van de totale beschikbare hoeveelheid emissierechten – geveild.

Van de Europese pot veilingrechten wordt 2,45% voor België geveild. De verdeling van de opbrengsten hiervan gebeurt als volgt:

 

voor de eerste schijf van
326 miljoen euro

voor alle overige veilinginkomsten tot 2020

Federale overheid

10 %

9,05 %

Vlaams Gewest

53 %

52,76 %

Waals Gewest

30 %

30,65 %

Brussels Hoofdstedelijk Gewest

7 %

7,54 %

De federale overheid stort deze veilinginkomsten maandelijks door.

 

België engageert zich tot een jaarlijkse financiering van 50 miljoen euro tot in 2020, met de volgende verdeling:

  • federale overheid: 25 miljoen €
  • Vlaams Gewest: 14,5 miljoen €
  • Waals Gewest: 8,25 miljoen €
  • Brussels Hoofdstedelijk Gewest: 2,25 miljoen €

 

Volledige tekst van het politiek klimaatakkoord (pdf)

 

Het samenwerkingsakkoord

Om dit politiek akkoord uitvoerbaar te maken, werd het vertaald naar een formeel en juridisch bindend samenwerkingsakkoord tussen de gewesten en de federale staat. Het bevat naast de in het politieke akkoord aangegane verbintenissen ook alle modaliteiten met betrekking tot de uitvoering en de respectieve verantwoordelijkheden. 

Periode 2008-2012

Overeenkomstig het Protocol van Kyoto en de Europese beschikking inzake de gezamenlijke nakoming van de aangegane verplichtingen ('EU Burden Sharing'), moest België zijn emissies van broeikasgassen tijdens de eerste verbintenisperiode van het Kyoto Protocol (2008-2012) met 7,5 % reduceren, in vergelijking met het referentiejaar [1].

 

 

In verband met deze nationale reductiedoelstelling (-7,5 %) werd een akkoord gesloten tussen de gewesten en de federale overheid om de inspanningen en verantwoordelijkheden van de verschillende autoriteiten vast te leggen.

Het Akkoord van 8 maart 2004 inzake de nationale lastenverdeling bepaalt de respectieve emissieplafonds van de drie gewesten, de modaliteiten en verantwoordelijkheden voor het toewijzen en neerleggen van emissierechten, en de verbintenissen van de federale overheid ten aanzien van maatregelen om de uitstoot te verminderen en emissierechten aan te kopen, via de flexibele mechanismen van het Protocol van Kyoto:

  • De gewesten, die formeel verantwoordelijk zijn voor het neerleggen van de emissierechten onder het Protocol van Kyoto, krijgen voor de periode 2008-2012 emissierechten toegewezen op basis van de volgende regels:
 
Reductie in %
(t.o.v. uitstoot in 1990)
Totale jaarlijkse uitstoot
(in miljoen ton CO2-equivalenten)
Vlaamse Gewest
- 5,2 %
83,37
Brussels Hoofdstedelijk Gewest
+ 3,475 %
4,13
Waals Gewest
- 7,5 %
50,23
 
  • Deze lastenverdeling houdt echter in dat de Gewesten in totaal meer emissierechten toebedeeld kregen dan dat België onder het Protocol van Kyoto ontving. Om dit tekort te compenseren, hebben de federale overheid zich geëngageerd om emissierechten aan te kopen voor een totaal van 12,2 miljoen ton CO2-eq in de periode 2008-2012 (jaarlijks gemiddeld 2,46 miljoen ton).
  • De gewesten kunnen autonoom de verhouding bepalen tussen de emissiereducties die ze op hun eigen grondgebied willen behalen en het gebruik dat ze willen maken van emissierechten die ze via de  flexibiliteitsmechanismen verkregen.
  • De federale overheid heeft zich  tevens geëngageerd om een aantal aanvullende maatregelen te nemen, waarvan de jaarlijkse emissiereductie in de periode 2008-2012 gelijk moet zijn aan ten minste 4,8 miljoen ton CO2-equivalenten.

 

[1] Als referentie voor de Belgische emissies van de drie belangrijkste broeikasgassen uit het Protocol van Kyoto (CO2, CH4, N2O) werden de emissies in 1990 gekozen, terwijl voor fluorgassen (HFC, PFC, SF6) het jaar 1995 als referentiejaar werd gekozen.

 

Afrekening van de eerste verbintenisperiode onder het Kyoto Protocol

België heeft zijn rapport met betrekking tot de 'True-up-periode' op 17 december 2015 neergelegd. Dit rapport was het voorwerp van een evaluatierapport  dat vaststelde dat België tijdens de eerste verbintenisperiode van het Protocol van Kyoto aan zijn verplichtingen heeft voldaan. 

Rekening houdend met de vijf jaren van de verbintenisperiode (2008-2012), heeft België zijn uitstoot met gemiddeld 14% (op jaarbasis) ten opzichte van het referentiejaar doen dalen, wat 6,5% beter is dan zijn Kyoto-doelstelling (-7,5%) voorschrijft.

 

 (Mt CO2-eq.)
2008
2009
2010
2011
2012
Uitstoot van broeikasgassen volgens de nationale inventaris (zonder LULUCF)
135,8
123,2
130,6
120,1
116,5
Verhouding t.o.v. de uitstoot van broeikasgassen in het referentiejaar (100%)
93,2 %
(-6,8%)
84,5 %
(-15,5%)
89,6 %
(-10,4%)
82,4 %
(-17,6%)
80 %
(-20%)

 De cijfers in deze tabel zijn afkomstig van de rapportering van 2014, die betrekking heeft op de periode 1990-2012.

Hoewel deze resultaten aangeven dat België zijn Kyoto-doelstelling heeft overschreden omwille van de boekhoudkundige regels van het "Kyoto-systeem" en van het onderscheid dat op het Europees niveau gemaakt wordt tussen enerzijds de uitstoot van sectoren die deelnemen aan het Europese emissiehandelsysteem (ETS) en anderzijds de uitstoot van de andere ("niet-ETS"-)sectoren, moet het bilan over het bereiken van de doelstellingen voor deze sectoren opgesplitst worden.

 

Ter herinnering: 2 categorieën van emissierechten

De Kyotodoelstelling van een land bepaalt het maximaal toegelaten uitstootniveau voor een bepaalde periode (2008-2012). Deze hoeveelheid wordt bekomen door het toepassen van een reductiepercentage op de uitstoot van het referentiejaar. Dit wordt vervolgens vertaald in een hoeveelheid uitstootrechten dat dit land toebedeeld krijgt voor de periode 2008-2012. De controle op de naleving van de verbintenissen aangegaan onder het Kyoto Protocol berust op het inleveren van een aantal emissierechten dat evenredig is aan het uitstootvolume van broeikasgassen gedurende deze periode.

Deze uitstootrechten worden op Europees niveau ingedeeld in 2 categorieën:

1/ De rechten toegekend aan de sectoren die gedekt zijn door het Europese emissiehandelsysteem (ETS) 

Het Europese Emissiehandelsysteem (Emission Trading Scheme of ETS) is één van de belangrijkste Europese instrumenten voor het terugdringen van de broeikasgasuitstoot in een aantal industriële sectoren (voornamelijk de sectoren met een hoge energetische intensiteit en de productie van elektriciteit).

Onder dit systeem hebben de nationale overheden een hoeveelheid uitstootrechten definitief overgedragen aan de betrokken bedrijven, op basis van de Nationale Toewijzingsplannen, die voor elk bedrijf een maximale uitstoot voor de betrokken periode hebben vastgelegd. Deze plannen zijn gebaseerd op de inschatting van de toekomstige uitstoot van broeikasgassen door deze bedrijven.

Als deze bedrijven meer uitstoten dan de hen toegekende hoeveelheden, zijn ze verplicht emissierechten aan te kopen van andere bedrijven. Als deze bedrijven daarentegen minder uitstoten, beschikken ze over een overschot aan emissierechten (we spreken van een "overallocatie"), die ze kunnen opsparen (om eventuele tekorten in de volgende jaren op te vangen) of via de emissiehandel te gelde kunnen maken.

Deze emissierechten die aan de ETS-sectoren zijn toegekend, zijn dan ook niet langer ter beschikking van de overheden en kunnen dus niet gebruikt worden om de eventuele overschrijdingen van de uitstoot in de andere sectoren (niet-ETS, zie hieronder) te dekken.
 

2/ De rechten voor de uitstoot in de “niet-ETS”-sectoren (transport, gebouwen, landbouw…)

De hoeveelheid rechten die beschikbaar is voor de niet-ETS-sector, wordt berekend door het verschil te maken tussen de jaarlijks beschikbare hoeveelheid en het aantal dat aan de ETS-sector is uitgedeeld. 

 

Opsplitsing tussen ETS en niet-ETS voor de periode 2008-2012

De hierna volgende cijfers zijn afkomstig van de Belgische rapportering van 2014. 

Voor het referentiejaar werd de uitstoot van België vastgelegd op 145,7 miljoen ton CO2. Rekening houdend met de verbintenissen van België onder het Kyoto protocol (-7,5% t.o.v. het referentiejaar) heeft ons land beschikking over ongeveer 134,8 miljoen uitstootrechten per jaar tijdens de verbintenisperiode van het protocol, nl. 2008-2012.

In het kader van de ETS-richtlijn en de nationale toewijzingsplannen hebben de Belgische bedrijven van de betrokken ETS-sectoren jaarlijks gemiddeld het equivalent van 58,5 miljoen uitstootrechten (groene balk in het schema) ontvangen. Deze ETS-sectoren hebben in 2008, 2009, 2010, 2011 en 2012 elk jaar minder uitgestoten dan het gemiddelde beschikbaar voor de periode 2008-2012 (overschot in groen gearceerd).

Voor de uitstoot in de niet-ETS-sectoren beschikken de Belgische overheden jaarlijks nog gemiddeld over ongeveer 76,3 miljoen uitstootrechten (134,8 - 58,5 miljoen toegekend aan de ETS-sectoren) (rood gedeelte in het schema). Maar de uitstoot door deze sectoren was in 2008, 2009 en 2010 hoger dan het jaarlijks beschikbare gemiddelde.

Dus - ook al was de totale effectieve uitstoot van België voor de periode 2008-2012 lager dan het niveau dat in het kader van het Protocol van Kyoto toegestaan is - toch is de uitstoot van de niet-ETS-sectoren in diezelfde periode hoger dan de uitstootrechten die beschikbaar zijn om de uitstoot van deze sectoren te dekken.

Voor de vijf laatste jaren loopt het totale tekort op tot 4,9 miljoen ton CO2.

 

tableau-deficit-NL.jpg

Door het feit dat het overschot aan uitstootrechten in de ETS-sector niet beschikbaar om deze tekorten te compenseren, heeft België bijkomende uitstootrechten moeten aankopen om aan haar Kyotodoelstelling te voldoen. Zo heeft het Vlaamse Gewest 7,9 miljoen rechten aangekocht, en de federale staat 12,2 miljoen (deze hoeveelheid werd vastgelegd door de beslissing van het overlegcomité van 8 maart 2004 met betrekking tot de verdeling van de nationale lasten en is dus onafhankelijk van de performantie van België).

Efforts-additionnels-NL.jpg