Het klimaat- en energiebeleid tegen 2030

De Europese Raad van 4 februari 2011 bereikte een overeenstemming over een reductiedoelstelling voor de uitstoot van broeikasgassen van 80-95% in 2050 (t.o.v. 1990) voor de ontwikkelde landen, en over de noodzaak om tegelijkertijd de wereldwijde uitstoot met ten minste 50% (t.o.v. 1990) te verminderen. Met betrekking tot deze doelstellingen publiceerde de Commissie de Mededelingen Routekaart naar een concurrerende koolstofarme economie in 2050, de Energy Roadmap en het Witboek over transport.

Daarnaast wees de Europese Raad op de noodzaak om de tussenliggende stappen vast te leggen in de richting van de doelstellingen op lange termijn. Na de ontwikkeling van het Europees klimaat- en energiepakket voor 2020 in 2008, werd daarom het beleidskader voor het klimaat- en energiebeleid tegen 2030 uitgewerkt.

Op verzoek van deze Europese Raad publiceerde de Europese Commissie op 27 maart 2013 het Groenboek "Een 2030-kader voor het klimaat- en energiebeleid" en lanceerde ze een publieke consulatie.

Op 22 januari 2014 publiceerde de Commissie (rekening houdend met De synthese van de publieke consultatie) de mededeling "Een beleidskader voor klimaat en energie in de periode 2020-2030", samen met haar effectbeoordeling. Het doel van dit beleidskader is de voorzetting van de overgang naar een koolstofarme economie en een concurrentieel energiesysteem met voldoende bevoorradingszekerheid.

Het kader stelt voor 2030 twee doelen voor :

1. een EU-doelstelling voor de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen met 40% t.o.v. 1990, die bereikt zou worden door middel van een reductie (t.o.v. 2005) van :

2. een streefcijfer voor hernieuwbare energie van minstens 27 %, dat bindend zou zijn op EU-niveau, maar invulling zou krijgen op nationaal niveau door middel van doelstellingen waarover de lidstaten zelf beslissen.

Andere belangrijke kenmerken van het voorgestelde beleidskader zijn het nieuwe governance-kader dat gebaseerd wordt op de nationale plannen van de lidstaten betreffende bv. de uitstoot van broeikasgassen in de niet-ETS-sector, energiebesparing en energiezekerheid en hernieuwbare energie. De mededeling benadrukt ook het belang van energie -efficiëntie in het toekomstige beleidskader en stelt geen nieuwe doelstellingen voor, maar wel een reeks sleutelindicatoren voor een concurrerende energiesysteem (in staat om continu energie te leveren) om de vorderingen in de tijd te kunnen beoordelen.

De mededeling werd begeleid door :

Na de mededeling van de Commissie besloot de Europese Raad van 20 en 21 maart 2014 om over het pakket ten laatste tegen de Raad van oktober 2014 te beslissen. In de aanloop naar deze Raad waren er tal van vergaderingen en publiceerde de commissie ook haar mededeling betreffende energie-efficiëntie waarin ze een doelstelling voor energie-efficiëntie van 30% voorstelt.  

Na talrijke interacties tussen de Europese Raad en de Europese Commissie konden overkoepelende doelstellingen tegen 2030 aangenomen worden in de Raadsconclusies van 23 en 24 oktober (de laatste Raad onder het voorzitterschap van Herman Van Rompuy en de eerste Raad waaraan Charles Michel deelnam als Belgisch premier).

Waar de EU voor 2020 nog uniforme doelstellingen had van 20% in broeikasgasemissiereductie, gebruik van hernieuwbare energie en energie-efficiëntie-verbetering, heeft de raad zich als volgt uitgesproken:

  • een bindende EU-reductiedoelstelling van minstens 40% (t.o.v. 1990) voor de uitstoot van broeikasgassen op het EU-grondgebied, opgesplitst in een Europese doelstelling voor de ETS-sectoren en bindende, nationale doelstellingen voor de niet-ETS sectoren.
  • een bindende EU-doelstelling van minstens 27% hernieuwbare energie in het finale energiegebruik in 2030, die gezamenlijk bereikt moet worden en niet over de lidstaten verdeeld wordt.
  • een indicatieve EU-reductiedoelstelling van minstens 27% voor het energiegebruik in 2030 (t.o.v. het referentieniveau), te herzien in 2020 met een niveau van 30% in gedachten.
  • een interconnectiedoelstelling van 15% in de elektriciteitssector

De opvolging van bovenstaande doelstellingen zou dan weer gebeuren aan de hand van een nog vorm te geven governance-kader en geassocieerde indicatoren.

illu-objectifs-2030-DEF.jpg

 

De reductiedoelstellingen voor de uitstoot van broeikasgassen

In lijn met het Commissievoorstel besliste de Europese Raad om de Europese doelstelling ter vermindering van de broeikasgastuitstoot als volgt te verdelen:

  • ETS-sectoren: -43% (t.o.v. 2005)
  • Niet-ETS-sectoren: – 30% (t.o.v. 2005). Deze doelstelling wordt verder vertaald in nationale, bindende doelstellingen voor de lidstaten
illu-objectifs-2030-ETS-NON.jpg


Niet-ETS

De verdeling van niet-ETS-doelstellingen tussen de lidstaten, de inzet van flexibiliteit (overhevelingen van quota tussen de jaren en uitwisselingen tussen lidstaten) en de vereisten naar rapportering staan voor de periode 2013-2020 beschreven in de beschikking 2009/406, ook wel ‘Effort Sharing Decion’ genoemd of kortweg ESD.

Voor het klimaat- en energiepakket voor 2020 werden de nationale broeikasgasdoelstellingen tussen de lidstaten verdeeld op basis van BBP/capita, waarbij de armste lidstaat 20% meer mocht uitstoten in 2020 (t.o.v. 2005) en de rijkste 20% moest reduceren.

De Europese Raad besliste op 24 oktober dat :

  • de methode om de nationale emissiereductiedoelstellingen vast te leggen voor 2030 dezelfde zal zijn als gehanteerd voor het 2020-pakket
  • de  doelstellingen tussen de 0 en 40% (t.o.v. 2005) moeten liggen
  • lidstaten met een BBP hoger dan het EU-gemiddelde een aanpassing van hun doelstelling krijgen om kostenefficiëntie te weerspiegelen en dit op een billijke en gebalanceerde wijze
  • de beschikbaarheid en het gebruik van de flexibiliteitsinstrumenten in de niet-ETS sectoren significant moeten verbeteren om de kosteneffectiviteit van de collectieve EU-inspanning en de convergentie van de uitstoot per capita tegen 2030 te verzekeren.

Om verder invulling te geven aan deze beslissingen organiseerde de Europese Commissie een publieksconsultatie voor de voorbereiding van een wetgevend voorstel voor de Effort Sharing in de periode 2020-2030.