Het europees beleid inzake gefluoreerde gassen

Met zijn inspanningen om de ozonlaag te beschermen heeft het Protocol van Montreal de industrie aangespoord alternatieven te vinden voor gefluoreerde gassen (CFK’s, HCFK’s, halonen), die deze laatste kunnen vervangen in toepassingen als koeling, klimaatregeling, brandbestrijding en vele andere.

Aanvankelijk luidde het antwoord van de industrie de ontwikkeling van twee nieuwe gassen, HFK’s (fluorkoolwaterstoffen) en PFK’s (perfluorkoolstoffen). Het voordeel van die gassen is dat hun eigenschappen erg lijken op die van de gassen die ze vervangen en dat ze de ozonlaag niet aantasten, maar het zijn daarentegen wel zeer krachtige broeikasgassen: hun capaciteit om de planeet op te warmen ligt zo’n 1.400 maal hoger dan die van CO2! Zij verschoven het probleem dus alleen maar.

Daarom spreekt het vanzelf dat beide families gassen, en later ook SF6, deel uitmaken van de lijst met broeikasgassen, waarvan de uitstoot gecontroleerd en beperkt moet worden in het kader van het VN-Klimaatverdrag en het bijbehorende Protocol van Kyoto.

De Europese Unie (EU) kwam, als ondertekenaar van dat protocol, in 2006 met haar eigen wetgeving: Verordening (EG) nr. 842/2006. Dankzij de opgedane ervaring kon die verordening in 2014 herzien worden. Op 1 januari 2015 wordt de nieuwe verordening nr. 517/2014 van kracht.

 

Een andere aanpak: vermindering van de uitstoot vs. toezicht op de handel

De aanpak van de EU verschilt sterk ten opzichte van die van het Protocol van Montreal. Hier is het immers de uitstoot die wordt aangepakt. De gassen worden dus niet regelrecht verboden, maar hun impact op het milieu wordt onder controle gehouden. Daarom wordt de gekozen aanpak aangepast aan het broeikasgaseffect van elk gas dat in de verschillende toepassingen wordt gebruikt.

Met andere woorden, als je koude lucht wil produceren om de temperatuur in een gebouw te regelen, heb je de keuze tussen verschillende technologieën: technologieën die een beroep doen op gefluoreerde gassen met een hoge opwarmingscapaciteit, of technologieën die minder vervuilende gassen gebruiken. De bedoeling is om het gebruik van de tweede groep te stimuleren, zonder de eerste groep helemaal te verbieden, want voor bepaalde toepassingen zijn er nu eenmaal geen alternatieven.

De invalshoeken van verordening nr. 517/2014 zijn:

  • periodieke controles op lekkage en periodiek gecontroleerde lekkagedetectiesystemen, en het bijhouden van interventieregisters
  • opleiding (certificering) van technici en bedrijven
  • informatie: etikettering van toestellen (apparatuur) en containers
  • toezicht op de handel via:
    • een verbod op het op de markt brengen van de stoffen, al naargelang hun broeikaseffect
    • een gebruiksbeperking voor bepaalde toepassingen (waarvoor nog geen bevredigende alternatieven voorhanden zijn)
    • het gebruik van jaarlijks toegekende quota’s die volgens een heel precieze kalender zullen worden teruggebracht. (Pas op, het gaat hier niet om dezelfde aanpak als het broeikasgasregister) 

Ozon is van nature aanwezig in de stratosfeer. Die “ozonlaag” absorbeert het grootste deel van de ultraviolette zonnestralen, die gevaarlijk zijn voor levende organismen, en ze speelt dus een beschermende rol voor alle levende wezens.

Het Protocol van Montreal werd ondertekend in 1987. De Europese Unie en haar lidstaten speelden altijd al een voortrekkersrol in de bescherming van de ozonlaag, met doelstellingen die verder gaan dan onze internationale verplichtingen.