De klimaattop in Lima effent het pad naar een globaal akkoord in 2015 in Parijs (een beetje) 

COP_Lima_-_closing_plenary.jpg

De 20ste klimaatconferentie  van de Partijen van het VN-Klimaatverdrag (COP.20) in Lima (Peru) heeft op zondag 14 december 2014 na zeer moeilijke onderhandelingen geleid tot de “Lima Call for Climate Action”.

De Lima Call omvat een werkprogramma voor de verdere onderhandelingen in 2015 over een globaal en bindend klimaatakkoord voor de periode na 2020, dat op de volgende klimaattop (december 2015) in Parijs moet worden afgesloten.

 

De voornaamste knelpunten in de discussie over deze beslissing waren:

1/ De reikwijdte van de voorgestelde nationale inspanningen (Intended Nationally Determined Contributions of INDC’s)

Hierbij legden de industrielanden de focus sterk op een verplichte mitigatie-componente en waren ze van mening dat andere elementen zoals adaptatie en financiering een louter vrijwillig karakter moesten hebben.  Onder de ontwikkelingslanden legden kleine eilandstaten en de minst ontwikkelde landen dezelfde nadruk, terwijl Afrika zeer sterk een gelijke behandeling vroeg voor adaptatie als voor mitigatie en de zogenaamde ‘likeminded group’ (China, India, maar ook de Groep van Arabische landen en de zgn. ALBA-landen uit Latijns-Amerika) de scope nog breder zagen en mitigatie, adaptatie, financiering en technologie een gelijke behandeling wilde zien krijgen in de INDC’s.

De uitkomst is een compromis geworden waarbij de INDC wordt gedefinieerd als een bijdrage aan het realiseren van de doelstelling[1] van het Klimaatverdrag. Gezien die doelstelling in eerste instantie betrekking heeft op het stabiliseren van broeikasgassen, kan deze uitkomst worden gelezen als een focus op mitigatie. Wel wordt er aan alle landen gevraagd om te overwegen om ook een adaptatiecomponent in de INDC’s op te nemen.

Een belangrijk aspect is verder dat deze doelstelling die landen voor zichzelf voorstellen, ambitieuzer moeten zijn dan eerder opgenomen engagementen (geen backsliding). Voor de zwakste en meest kwetsbare landen (de Minst Ontwikkelde Landen en de kleine eilandstaten) gelden bijzondere bepalingen die hun bijzondere omstandigheden weerspiegelen.

 

2/ De vraag of de INDC’s - vóór ze in het Akkoord van Parijs naar nieuwe verbintenissen in een VN-proces worden vertaald  - geanalyseerd en tussen de Partijen geconsulteerd moeten worden, en welke informatie daartoe samen met de INDC’s diende te worden voorgelegd   

Ook hier domineerde de mate waarin al dan niet een onderscheid tussen industrie- en ontwikkelingslanden zou gemaakt worden de discussies.

De optie die het haalde inzake de informatie die de INDCs dient te vergezellen is een tussenweg tussen helemaal niets en een uitgebreide annex met opgelijste informatieparameters en bepaalt een aantal generieke elementen voor de informatievereisten (tijdskader, periode van uitvoering, draagwijdte van inspanningen, …).  Zeer belangrijk is echter dat expliciet wordt gevraagd dat landen zouden verantwoorden hoe de voorgestelde inspanning conform is met globale klimaatdoelstelling en waarom ze deze zien als een faire en ambitieuze bijdrage.

De fase voor de consultatie en analyse was een kwestie die voornamelijk voor de EU erg belangrijk was. Andere ontwikkelde landen zoals VS en Japan hechtten hier minder belang aan, terwijl China, India, Arabische landen en radicale Latijns Amerikaanse landen als Bolivia en Venezuela zulke fase categoriek afwezen. De uitkomst is hier een vrij zwak proces waarbij het UNFCCC-secretariaat niettemin gevraagd wordt om tegen 1 november een syntheserapport van de INDC’s te presenteren.

 

De conferentie maakte ook een eerste compilatie van “elementen” voor het akkoord van 2015.  Deze tekst is opgebouwd als een ontwerp van Protocol, de vorm die het akkoord van Parijs volgens België en de EU moet krijgen, een wettelijk bindende verdragstekst. Deze tekst maakt nog geen inhoudelijke keuzes maar bevat voor elk onderdeel de verschillende opties, geeft ook aan waar er al convergenties liggen en vormt dus een goede basis voor de onderhandelingen in 2015, die al in februari opnieuw starten, in Genève.

En verder werd ook beslist om het bestaande proces tot het verhogen van de klimaatambities te verlengen voor de periode 2015-2020.  Er werd al vlug een akkoord bereikt om de technische expert meetings over actie met een hoog reductiepotentieel voort te zetten in de periode tussen 2015 en 2020. Jaarlijks zal hierover ook een ministerieel event worden georganiseerd. Dit onderwerp is al jaren een belangrijk punt, vooral voor de kleine eilandstaten, hierbij gesteund door de EU.

De eerste kapitalisatie van het in 2009 opgerichte Green Climate Fund maakte weliswaar niet het voorwerp uit van de onderhandelingen, maar heeft een grote invloed gehad op het broodnodige vertrouwen tussen ontwikkelingslanden en industrielanden. De verwachting om 10 miljard USD op te halen werd slechts op de valreep gehaald, tijdens de Ministeriële Rondetafel over internationale klimaatfinanciering, die tijdens de 2de conferentieweek plaatsvond,  met name door de aankondiging van een langverwachte Belgische ‘pledge’ van 51,6 miljoen euro.

 

Algemene evaluatie

Globaal gezien zitten de onderhandelingen voor Parijs nog steeds op koers, ondanks een zeer moeizaam verloop van de onderhandelingen, met de daaraan gekoppelde retoriek en drama.

Eén van de grootste uitdagingen voor Parijs, die in Lima nog niet werd uitgeklaard, wordt de verdeling van de inspanningen tussen de ‘oude’ industrielanden en de opkomende economieën, die tot heden immers geen internationale verplichtingen hebben om hun emissies te beperken.  Het is alleszins hoopgevend dat Brazilië – één van die groeilanden – al vóór Lima een compromisvoorstel had voorgesteld waarmee de tweedeling tussen ontwikkelde en ontwikkelingslanden op het vlak van de te leveren inspanningen geleidelijk kan opgeheven worden.

Hoopgevend is in ieder geval verder ook dat de tijdslijn voor 2015 – met inbegrip van het bereiken van een mondiaal akkoord in december te Parijs – door niemand in vraag werd gesteld.



[1] “het stabiliseren van de concentratie aan broeikasgassen in de atmosfeer op een niveau dat gevaarlijke menselijke verstoring van het klimaatsysteem voorkomt”