De tweede verbintenisperiode van het Protocol van Kyoto (2013-2020)

 

Een bijzonder lange voorgeschiedenis

In het Kyoto Protocol is bepaald dat de onderhandelingen over een volgende verbintenissenperiode ten minste 7 jaar voor het aflopen van de voorafgaande verbintenissenperiode moeten opgestart worden. Vermits de eerste verbintenissenperiode liep van 2008 tot 2012, werden de onderhandelingen over de reductiedoelstellingen voor Bijlage 1-landen onder de tweede verbintenissenperiode opgestart in 2005 onder het onderhandelingsspoor AWG-KP (Ad Hoc Working Group on the Kyoto Protocol) .

Deze onderhandelingen liepen parallel met de onderhandelingen over een bredere invulling van het klimaatbeleid onder het klimaatverdrag, die ook in 2005 van start gingen met de ‘Convention Dialogue’, en in 2007 overgingen in het onderhandelingsspoor AWG-LCA (Ad Hoc Working Group on Long Term Cooperative Action), dat eind 2009 in Kopenhagen zou moeten uitmonden in een nieuw globaal klimaatakkoord.

Maar de klimaattop van Kopenhagen eind 2009, die met bijzonder hoge verwachtingen en onder een nooit eerder geziene mediabelangstelling van start ging, liep in mineur af: er werd geen akkoord bereikt over de onderhandelingsteksten.

logocop15_-_Copenhagen.jpg Op het einde van deze conferentie werd op een tumultueuze slotplenaire wel akte genomen van het ‘Kopenhagen Akkoord’, een korte tekst in relatief vage bewoordingen die de verdienste had de noodzaak te erkennen om de opwarming te beperken tot maximum 2°C boven het pre-industriële niveau. Hierin werden geen individuele doelstellingen vastgelegd maar er werd wel aan de industrielanden gevraagd om reductiedoelstellingen voor te stellen en aan ontwikkelingslanden om nationaal aangepaste uitstootverminderende acties voor te stellen.
Tijdens de volgende klimaattop in het Mexicaanse Cancún (2010) werd het Kopenhagen Akkoord geformaliseerd binnen het formele UNFCCC-proces en werd de 2°C-doelstelling voor het eerst in de geschiedenis in een officieel VN-document erkend. Bovendien werden de (juridisch niet bindende) reductiebeloften van de ontwikkelde en de ontwikkelingslanden, gemaakt in het kader van het Kopenhagen Akkoord, "verankerd" (geïntegreerd) in het VN-proces. logocop16_-_Cancun.jpg

Het is echter pas op de klimaattop van het Zuid-Afrikaanse Durban - eind 2011 - dat de politieke beslissing genomen werd om :

logocop17_-_Durban.jpg
  • het jaar daarop - tijdens de klimaattop in Doha (Qatar) formeel de AWG-LCA- en de  AWG-KP-onderhandelingen af te ronden en dus ook een tweede verbintenissenperiode onder het Protocol van Kyoto te onderschrijven. Deze moest de inspanningen vastleggen voor de periode 2013-2020.
  • onderhandelingen op te starten over een globaal bindend akkoord dat van toepassing zal zijn op alle landen vanaf 2020. Deze onderhandelingen moeten tegen eind 2015 afgerond zijn (en zullen leiden tot het Akkoord van Parijs, dat op 5 november 2016 in werking is getreden).

 Een akkoord voor de tweede verbintenisperiode (2013-2020)

logocop18_-_Doha.jpgOp de klimaattop van Doha (eind 2012) werd er slechts op de valreep een akkoord bereikt over een 2de verbintenisperiode van 8 jaar (2013-2020): het Doha-amendement.

Dit akkoord omvat:

  • nieuwe engagementen voor de Partijen van Bijlage 1 van het Protocol van Kyoto die akkoord gingen met de nieuwe verbintenisperiode. Dit was het geval voor 37 industrielanden (de 27 EU-Lidstaten, IJsland, Kroatië, Noorwegen, Zwitserland, Australië, Oekraïne, Wit-Rusland en enkele kleine staatjes zoals Monaco en Liechtenstein), die zich engageerden hun uitstoot met minstens 18 % te verminderen t.o.v. 1990.
  • een herziene lijst van broeikasgassen waarover gerapporteerd moet worden
  • een aantal aanpassingen aan enkele artikels van het protocol.

Deze doorbraak is cruciaal: de ontwikkelingslanden verwachtten immers dat de ontwikkelde landen de leiding bleven nemen. Zonder deze doorbraak zouden de toekomstige onderhandelingen over een nieuw mondiaal instrument bijzonder moeilijk geworden zijn.

Toch was dit akkoord geen sinecure omdat:

  • een aantal industrielanden met een belangrijke uitstoot geen nieuwe engagementen onder het Protocol van Kyoto wilden aangaan, nl. Canada (tijdens de eerste verbintenissenperiode uit het Protocol van Kyoto gestopt), Japan (van plan kerncentrales te vervangen door steenkoolcentrales), Rusland en Nieuw-Zeeland. Aangezien de VS – de tweede grootste uitstoter ter wereld, die het Kyoto Protocol niet had geratificeerd – ook nu geen bereidheid tot ‘toetreding’ aan de dag legde, vertegenwoordigen de landen die akkoord gaan met het 2de protocol slechts zo’n 15% van de globale uitstoot aan broeikasgassen.
  • er veel onenigheid was over de overtollige emissierechten uit de 1ste  verbintenisperiode, de zogenaamde ‘surplus Assigned Amount Units’ (AAU’s). Uiteindelijk werd een akkoord bereikt dat een volledige overdracht toelaat, maar dit overschot in een “reserve” stopt en de aankoop ervan beperkt tot 2% van de toegewezen hoeveelheden uit de 1ste verbintenisperiode. De EU, IJsland, Kroatië, Japan, Australië, Noorwegen, Zwitserland, Liechtenstein en Monaco verklaarden bovendien dat ze dergelijke rechten niet langer zullen aankopen.

Bijkomend werd ook beslist dat landen zonder reductiedoelstellingen in de 2de  verbintenisperiode geen AAU-overshotten kunnen verkopen en bovendien helemaal geen emissierechten meer zullen kunnen verhandelen.

 

Een bijzonder trage ratificatie

In tegenstelling tot de ratificatie van de Overeenkomst van Parijs, die onverwacht snel verliep, waardoor het na minder dan een jaar van kracht werd, verloopt de ratificatie van de tweede verbintenissenperiode ontgoochelend traag, waardoor het Doha amendement nog steeds niet formeel in werking getreden is. België is sinds november 2015 klaar met de ratificatieprocedure. De lidstaten van de EU implementeren het Doha amendement in de praktijk door equivalente Europese wetgeving, maar wachten nog op Polen om over te kunnen gaan tot een gezamenlijke neerlegging van het ratificatie-instrument bij de depositaris in New York.