De bijdrage van de belangrijkste sectoren in de totale uitstoot en hun evolutie 

 

Aandeel van de verschillende sectoren

Aandeel van de verschillende sectoren in de totale uitstoot in 2015 (%)

 trends2017_03_sectoren.jpg

 

De toepassing van nieuwe guidelines heeft een wijziging van de verdeling tussen de sectoren met zich mee gebracht, zoals voor het jaar 1990 (links volgens de oude guidelines, rechts volgens de nieuwe guidelines): 

trends2017_03_sectoren_guid.jpg

 

Evolutie van de verschillende sectoren

 Evolutie ten opzichte van 1990
(cijfers van 2015, volgens de nieuwe guidelines)

 trends2017_03_sectoren1990.jpg

 NB: het 0-niveau geeft de situatie in 1990 weer 

 

De grafiek hierboven vat de impact samen van de belangrijkste sectoren op de nationale trend. Daaruit blijkt een duidelijke toename in de uitstoot van het wegvervoer (+28,2%). De uitstoot van de tertiaire sector (verwarming van gebouwen) neemt eveneens toe (+33,8%). De uitstoot van de residentiële sector daarentegen is met 21,9% afgenomen.

Het jaar 2015 was nog een warm jaar, maar minder dan 2014.

De andere sectoren hebben belangrijke dalingen gekend over het geheel van de periode 1990-2015. 

 

Uitstoot en absorpties van broeikasgassen in België in de belangrijkste sectoren (1990-2015)
in kiloton CO2-equivalenten

PDF-versie van deze tabel downloaden

 

Evaluatie per sector

Voor het jaar 2015 worden de sectoren die hebben bijgedragen tot de uitstoot van broeikasgassen hieronder in detail opgelijst:

 

1. Het transport

De uitstoot van de transportsector vertegenwoordigt tegenwoordig 22,6% van de totale uitstoot (tegenover 14,1% in 1990). Die toename is grotendeels te wijten aan het wegvervoer, dat in 2015 zorgde voor 97,5% van de totale uitstoot door deze sector. De binnenscheepvaart stagneert op 1,5%. De uitstoot van het spoor vertegenwoordigt 0,3%.

In de sector van het wegvervoer gaan de meeste indicatoren in stijgende lijn (in 2015): het aantal voertuigen nam met 54% toe sinds 1990 (slechts 48% voor de personenwagens), net als het verkeer (voertuigkilometers) dat in dezelfde periode toenam met 54%. In diezelfde periode nam het vrachtvervoer (in ton km) toe met 82% terwijl het personenvervoer slechts met 27% toenam.

Er was tussen 1990 en 2015 ook een gevoelige verschuiving van het aantal benzinewagens (-12%) naar dieselwagens(+319%). Het aantal wagens op LPG is verwaarloosbaar geworden door een gebrek aan financiële ondersteuning en door de hoge prijs.

De gemiddelde motorcapaciteit nam ook toe sinds 1995, en illustreert de overstap naar diesel enerzijds, en het toenemend succes van SUV-voertuigen en wagens met dubbel gebruik anderzijds. De gemiddelde leeftijd van de wagens is toegenomen (dankzij een verbeterde bescherming tegen roest en langere levensduur), net zoals de gemiddelde afgelegde afstand, die ondertussen gestabiliseerd is.

Het wegvervoer is een van de belangrijkste bronnen van broeikasgasemissies in België, zoals blijkt uit de trend- en niveauanalyse. Met een toename van de uitstoot van broeikasgassen met 23% tussen 1990 en 2015 vormt het wegvervoer één van de belangrijkste drivers van de emissietrends. Het wegvervoer was tussen 1990 en 2014 verantwoordelijk voor de tweede belangrijkste absolute toename in CO2-uitstoot, nl. + 4,79 miljoen ton CO2-equivalenten.

  

2. De gebouwen

In de residentiële sector nam het brandstofverbruik toe met 16% tussen 1990 en 2003. Dat is vooral te wijten aan het toenemende aantal huizen (+26% tussen 1991 en 2001). Jaarlijkse schommelingen zijn uiteraard klimaatafhankelijk: dit is bijzonder duidelijk voor 1996 en 2010, die koude jaren waren met een duidelijke piek in de uitstoot afkomstig van de verwarming, maar ook voor 2007, 2011 en 2014, met uitzonderlijk warme winters die gekenmerkt waren door een vermindering van het energieverbruik. De verhoging van de energieprijs en de verbeterde energie-efficiëntie van gebouwen hebben waarschijnlijk bijgedragen tot deze daling in het verbruik. Het verbruik van gasvormige brandstoffen is sinds 1990 toegenomen (van 34% naar 50% van het totaal), maar de vloeibare brandstoffen vertegenwoordigen nog 44% omwille van de geringere beschikbaarheid van een gasnetwerk in de minder dicht bewoonde gebieden.

In de tertiaire sector nam het brandstofverbruik toe met 48% sinds 1990. Jaarlijkse fluctuaties te wijten aan het klimaat spelen ook mee, maar minder dan in de residentiële sector. Een reden is het toegenomen aantal werknemers met 29% tussen 1990 en 2014. Tezelfdertijd nam het elektriciteitsverbruik ook toe met 94% (tussen 1990 en 2013), vooral door de ontwikkeling van informatietechnologieën en doordat er meer gebruik wordt gemaakt van gekoelde ruimtes en airconditioning. Sinds 1995 werd er een duidelijke overstap opgetekend van vloeibare brandstoffen naar gasvormige brandstoffen, die 75% van het energieverbruik in de sector (zonder elektriciteit en verwarming) vertegenwoordigen.

Voor deze twee sectoren is het gebruik van biomassa en andere brandstoffen verwaarloosbaar. Nochtans geven nieuwe schattingen aan dat biomassa 8,0% in de residentiële sector bereikt, tegen slechts 3,5% in de tertiaire sector.

  

3. Het energieverbruik in de industrie

De belangrijkste bron voor deze sector zijn de openbare elektriciteitsproductie en warmte-opwekking, die in 2015 verantwoordelijk waren voor 78% van de uitstoot in deze sector.  De petroleumraffinage en de productie van vaste brandstoffen vertegenwoordigden respectievelijk 22,5% en 1%.

De uitstoot door de productie van vaste brandstoffen nam sinds 1990 af met 93% (-1,9 miljoen ton CO2-equivalenten) door het sluiten van zes cokesfabrieken in respectievelijk 1993, 1995, 1997, 2000, 2005 en 2010. De uitstoot door aardolieraffinage in 2015 is 7% hoger dan in 1990. Deze uitstoot fluctueert in functie van de algemene economische context en van onderbrekingen voor inspectie, onderhoud en renovatie.

De productie van elektriciteit en warmte nam toe met 39% tussen 1990 en 2015, maar de uitstoot daalde (-30%) dankzij technologische verbeteringen, een toename van het aantal installaties voor de gezamenlijke opwekking van warmte en elektriciteiten de omschakeling van vaste (steenkool) naar gasvormige brandstoffen (aardgas) en naar hernieuwbare bronnen. 

 

4. De industriële (niet-energetische) processen

De sector van de ’industriële processen en F-gassen’ omvat de uitstoot door industriële activiteiten, maar niet de uitstoot die vrijkomt bij de verbranding van fossiele brandstoffen. In 2015 werd deze uitstoot van broeikasgassen vooral veroorzaakt door de chemische industrie (42% van de uitstoot, waarvan 57% uitsluitend voor de petrochemische industrie en 5% voor de productie van salpeterzuur en ammoniak), de minerale producten (22,5% van de uitstoot, waarvan 53% uitsluitend voor de productie van cement en kalk) en door de metaalproductie (19,5% van de uitstoot, dalend sinds 2009 door toedoen van de economische crisis). Bovendien is 14,5% van deze uitstoot afkomstig van het gebruik van producten ter vervanging van ozonafbrekende stoffen.

De uitstoot van gefluoreerde gassen vertegenwoordigde in 2015 2,7% van de totale uitstoot van broeikasgassen zonder LULUCF. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen de "uitstoot van de productie" (die vrijkomt tijdens het productieproces) en de "uitstoot van het gebruik", afkomstig van het gebruik van bestaande producten en de ontmanteling van toestellen. 

 

5. De omvorming van energie 

In de verwerkende industrie is de toegevoegde waarde in 2015 toegenomen met 45% t.o.v. 1990, terwijl de uitstoot van broeikasgassen gedaald is met 40% in dezelfde periode.

Het primaire energieverbruik nam af met 21% tussen 1990 en 2015 (en met 26% indien 2009 beschouwd wordt). Die spectaculaire daling valt duidelijk toe te schrijven aan de impact van de economische crisis in de ijzer- en staalsector. Die duidelijke ontkoppeling van toegevoegde waarde en energieverbruik kan worden toegeschreven aan een aantal drivers in verschillende sectoren:

  • In de ijzer- en staalindustrie zijn heel wat fabrieken sinds 1990 overgestapt op elektrische ovens. Het aandeel van staalfabrieken die gebruik maken van elektriciteit is gestegen van 9 % in 1990 tot 35 % in 2011. Dat is de belangrijkste oorzaak van de duidelijke daling in het energieverbruik, hoewel in deze sector een stabiele toegevoegde waarde wordt opgetekend. Door een herschikking - vanaf de inventaris van broeikasgassen in 2015 - tussen de uitstoot afkomstig van energieverbruik en van processen vertegenwoordigt deze sector in 2014 nog slechts 8% van het energieverbruik van de verwerkende industrie en is diens impact op de totale tendensen gedaald.
  • In de chemische sector daalde het energieverbruik (zonder het niet-energetisch gebruik) tussen 1990 en 2006 met 10%, terwijl de toegevoegde waarde toenam met 65%. Die belangrijke ontkoppeling heeft te maken met een rationeel energieverbruik en met producten met een grote toegevoegde waarde. In 2014 vertegenwoordigde deze sector 24% van het energieverbruik van de verwerkende industrie.
  • De voedsel- en drankindustrie was in 2006 goed voor 11,6% van het energieverbruik in de verwerkende nijverheid, maar voor 13 à 14% van de toegevoegde waarde. Deze sector vertoont de sterkste stijging in toegevoegde waarde vergeleken met het energieverbruik.
  • In cementbedrijven hangt de ontkoppeling tussen het energieverbruik en de totale productie samen met het productieproces: het droge proces, dat aanzienlijk minder energie opslorpt, vervangt geleidelijk aan het nat proces en wordt nu (2015) aangewend voor 78% van de productie, tegenover 61% in 1990.  

 

6. De Landbouw

De uitstoot door de landbouw (zonder verbranding) bedraagt in 2014 8,5% van de totale uitstoot in België. In totaal (met inbegrip van de uitstoot van de energiesector) is de uitstoot verminderd met 21,3% tussen 1990 en 2014.

De belangrijkste bronnen van uitstoot zijn :

  • methaan (CH4): 45,0% afkomstig van verteringsprocessen (voornamelijk van runderen) en 20,0% afkomstig van mestbeheer (voornamelijk varkens)
  • distikstofoxide (N2O): 33,7%, afkomstig van de bodem

Deze uitstoten dalen sinds 1990 ten gevolge van een reductie en wijziging van de veestapel en van het verminderd gebruik van minerale en organische meststoffen. 

 

7. De afvalsector

Broeikasgasemissies uit afval (exclusief verbranding met warmterecuperatie) vertegenwoordigden 1,39% van de nationale uitstoot in 2015, tegenover 3,01% in 1990. Die daling valt te verklaren door de daling van de uitstoot van methaan (CH4) uit het storten van vast afval op het land, die in 2015 58,7% van de totale uitstoot van deze sector vertegenwoordigde. De recuperatie van dit biogas op stortplaatsen – het gas wordt afgefakkeld of verbrand omwille van zijn energetische inhoud - wordt sinds 1990 veelvuldig toegepast en is de belangrijkste driver van de trend in deze sector. De uitstoot van stortplaatsen is in 2015 met 69% gedaald ten opzichte van 1990 ten gevolge van hergebruik, recyclage, compostering en verbranding.

De 41,3% resterende uitstoot van broeikasgassen is afkomstig van drie bronnen: afvalverbranding, afvalwaterzuivering en composteren.

 

8. De andere bronnen

Zij dekken nauwelijks 0,6% van het totaal.