Impact op de biodiversiteit

Biodiversiteit levert goederen en diensten op die enerzijds onmisbaar zijn om ons aan de gevolgen van de klimaatverandering aan te passen (de wetlands vormen een natuurlijke bescherming tegen overstromingen, plantengroei kan lokaal de watervoorraad en de kwaliteit van het water verbeteren, groene ruimten verbeteren het microklimaat en de luchtkwaliteit in de steden, enz.) en anderzijds de klimaatverandering kunnen verzachten, dankzij in het bijzonder de CO2–absorptie door de mariene en terrestrische ecosystemen.

Helaas wordt die biodiversiteit rechtstreeks bedreigd door de klimaatverandering: in vele delen van de wereld is de soortensamenstelling veranderd en zijn soorten uitgestorven aan een snelheid die 100 tot 1000 keer hoger ligt dan normaal.

Maar waar vroeger vooral de inkrimping, versnippering en vernieling van de natuurlijke leefgebieden en de vervuiling de voornaamste oorzaken van de achteruitgang van de biodiversiteit vertegenwoordigden, zou de opwarming van de aarde tegen het einde van de 21ste eeuw wel eens dé belangrijkste oorzaak kunnen worden.

Dat is één van de belangrijke bevindingen van de grootste studie over de biodiversiteit ooit, de tweede “Millennium Ecosystem Assessment”, waaraan 1360 onderzoekers wereldwijd meewerkten.

Ook de recentste publicatie van het Secretariaat van het Biodiversiteitsverdrag (de 4e uitgave van ‘Perspectives mondiales de la diversité biologique’ van 2014) wijst erop dat de klimaatverandering de ecosystemen en de diensten die ze leveren, zwaar bedreigen. Sommige habitats, zoals koraalriffen, bergen, rivieren en stromen worden bijzonder bedreigd. En volgens het rapport "Climate change, impacts and vulnerability in Europe 2016" van het Europees Milieu Agentschap hebben 14% van de habitats en 13% van de soorten 'van Europees belang' te lijden van de klimaatverandering.

Dat de invloed van klimaatwijziging zo groot kan zijn, wordt verklaard door het feit dat het klimaat in sterke mate het verspreidingsgebied van de soorten, het voorkomen van natuurlijke verstoringen (zoals bosbranden) en de beschikbaarheid van voedsel door wijzigingen in de bodemsamenstelling bepaalt.

In Europa wordt ongeveer een vijfde van de habitats en 12 % van de belangrijke soorten door de klimaatverandering bedreigd. Venen en moerassen behoren tot de kwetsbaarste habitats.

Veel terrestrische, mariene en zoetwatersoorten hebben in reactie op de klimaatverandering hun geografische verspreidingsgebieden, hun seizoensactiviteiten, hun migratieschema’s, hun omvang en hun interacties met andere soorten gewijzigd:

 

Verspreiding van de soorten

Talrijke planten- en diersoorten hebben in reactie op de klimaatverandering hun verspreidingsgebieden naar het noorden en/of naar hogergelegen gebieden verschoven. In Europa zien we:

  • een verschuiving van het verspreidingsgebied van de vlinders naar het noorden tussen 1990-2007. Die migratie vertoont echter een zekere vertraging ten opzichte van de klimaatverandering, hetgeen erop lijkt te wijzen dat zij het ritme van de veranderingen niet kunnen bijbenen.
  • de verschijning van nieuwe soorten in onze streken, zoals zuidelijke libellensoorten (vuurlibel), spinnen (wespspin, afkomstig uit het Middellandse-Zeebekken), vogels (Europese bijeneter, een soort uit het zuiden die tegenwoordig ook in België broedt) en muggen (die tropische ziekten zoals het West-Nijlvirus kunnen overbrengen).
  • een verandering in het verspreidingsgebied van steeds meer mariene organismen vanwege de toegenomen watertemperatuur in de Noordzee. Zo zien we in onze wateren almaar meer warmwatersoorten (sardienen, ansjovis, enz.). De soorten die in koudere wateren leven (kabeljauw, schelvis, heilbot, grijze garnalen, enz.) migreren daarentegen verder naar het noorden.
  • in de afgelopen 40 jaar zijn bepaalde soorten zoöplankton (dierlijk plankton) uit de Noordzee en ten zuidwesten van de Britse eilanden zo’n 1100 km (10° breedtegraad) verder naar het noorden gemigreerd. Deze beweging lijkt zich sinds 2000 nog te hebben versneld.
  • een sterkere aanwezigheid van thermofiele (warmteminnende) planten in een aantal landen van Noordwest-Europa (bv. Nederland, Groot-Brittannië en Noorwegen), tegenover een lichte achteruitgang van kouderesistente planten.
bee-eater-123rf-30879341-240px.jpg dragonfly-Belga-81573275-300px.jpg spider-123rf-8046136-240px.jpg

 De Europese bijeneter, de vuurlibel en de wespspin doen hun intrude in onze streken
(Bron: BelgaImage/123rf - Christophe Buquet)

Fenologie van de soorten

De temperatuurstijging brengt veranderingen teweeg in de fenologie (periodieke verschijnselen) van de levende natuur, waardoor de interacties tussen de soorten in de war gestuurd worden. Zo zien we onder andere:

  • vroegtijdige voorjaarsverschijnselen zoals ontluikende bloemknoppen
  • latere najaarsverschijnselen zoals verkleurende bladeren
  • een vervroeging van de fenologische voorjaars- en zomerverschijnselen in Europa, met 2,5 en 4 dagen per decennium, tussen 1971 en 2000
  • een verlenging van het pollenseizoen, dat tegenwoordig gemiddeld 10 dagen eerder begint dan 50 jaar geleden
  • een vervroeging van de levenscyclus van talrijke diergroepen (voortplanting van kikkers, nestbouw door vogels, migratie van vogels, voortplanting van thermofiele insecten, enz.)
  • een vervroeging van de seizoenscyclus van bepaalde mariene organismen in de Europese zeeën. Sommige planktonsoorten hebben hun seizoenscyclus de laatste decennia met 4 tot 6 weken vervroegd. Deze veranderingen in de fenologie van plankton hebben grote gevolgen voor de structuur van de mariene voedselketens. De kabeljauwen in de Noordzee worden er bijvoorbeeld kwetsbaarder door.

 

Proliferatie van invasieve soorten

Door de klimaatverandering wordt het voor bepaalde exotische soorten (geïmporteerd of naar het noorden getrokken) eenvoudiger om zich ergens te vestigen en vervolgens invasief te worden, met andere woorden zich onbeheersbaar en ten koste van inheemse soorten te ontwikkelen. Gezien hun aanpassingsvermogen aan heel uiteenlopende klimatologische omstandigheden kunnen deze soorten zich immers eenvoudiger aanpassen dan de inheemse soorten.

Zo is de invasie van bepaalde exotische mariene soorten bijvoorbeeld in verband gebracht met de opwarming van de oppervlaktetemperatuur van de zee. Deze invasies zijn niet alleen van invloed op de lokale ecosystemen, maar kunnen ook de visserijactiviteiten beïnvloeden.

 

Toevluchtsgebieden

Nieuw onderzoek heeft de gebieden op aarde geïdentificeerd die met voorrang beschermd moeten worden bij klimaatveranderingen. Door deze gebieden in kaart te brengen, wordt de bijzondere kwetsbaarheid van Europa voor klimaatveranderingen geïllustreerd:

vulnerability-LR.jpg 

De toevluchtsgebieden bij klimaatverandering:
de minst kwetsbare gebieden (groen) kunnen als toevluchtsgebieden fungeren

Een toevluchtsgebied is een zone van biologische diversiteit waar de natuurlijke milieuvoorwaarden relatief constant blijven in periodes van ingrijpende veranderingen in het milieu. In Europa bevinden de toevluchtsgebieden zich vooral in Schotland en Scandinavië. De grootste gebieden zijn het Amazonegebied, het Congobekken, de boreale bossen in Rusland, het noordpoolgebied en de Australische Outback.

 

Impact in berggebieden erg groot

Vooral in berggebieden zijn de soorten erg gevoelig voor klimaatverschuivingen. Door opwarming zullen de verschillende vegetatiegordels langzaam naar hoger gelegen, koelere gebieden opschuiven (300 à 400 m hoger bij een gemiddelde temperatuurstijging van 2°C). Maar voor soorten die al in de hoogst gelegen gebieden voorkomen, bestaat er uiteraard geen uitweg meer! En aangezien liefst een kwart van alle bloeiende planten op het Europese continent uitsluitend in deze hooggelegen gebieden voorkomt, betekent klimaatopwarming een ernstige bedreiging voor deze veelal inheemse soorten. Het beroemde edelweiss, de “koningin” van de Alpen, komt dan wel degelijk in gevaar!

Bovendien zal het opschuiven van de boomgrens naar grotere hoogten (waarbij de struiktoendra vervangen wordt door bomen) een belangrijk effect hebben op de stralingsbalans, vooral in het geval van sneeuwval, waardoor de opwarming nog kan vergroten.

edelweiss-Belga-103968381-450px.jpg
Als bewoner van berggebieden is het befaamde edelweiss ersntig bedriegd door de klimaatopwarming. (Bron: BelgaImage)

 

DE TOEKOMST

In de 21ste eeuw zullen veel soorten zich niet snel genoeg kunnen aanpassen of migreren om in gunstige klimatologische omstandigheden te blijven verkeren.

Het IPCC voorspelt dat het natuurlijk aanpassingsvermogen van veel ecosystemen in de loop van de eeuw zal worden overschreden door een ongeëvenaarde combinatie van diverse verstoringen (klimaatverandering en neveneffecten, vervuiling, veranderd bodemgebruik, …).

Indien de gemiddelde temperatuurstijging beperkt blijft tot 2°C ten opzichte van het pre-industriële tijdperk, zijn de risico’s voor de biodiversiteit beperkt. Bij een grotere opwarming worden deze risico’s hoog tot zeer hoog. In die omstandigheden zal een groot deel van de terrestische en aquatische soorten met uitsterven bedreigd worden.

Vooral de soorten die al in gevaar verkeren omwille van hun lage aantallen, hun ingekrompen of verspreide leefgebieden, en soorten die specifieke eisen hebben op het vlak van het tolereren van klimatologische omstandigheden, lopen extra risico’s. Unieke en bedreigde ecosystemen zoals de Noordpool en de koraalriffen lopen bij een klimaatverandering zeer hoge risico’s.

Bij bepaalde veranderingen als gevolg van de opwarming van de aarde (bv. in de boreale toendra of in het Amazonewoud) zou in de biosfeer opgeslagen koolstof kunnen vrijkomen in de atmosfeer, wat een aanzienlijke impact op het klimaat zou hebben.

Tegen het einde van de 21ste eeuw zal de verspreiding van Europese plantensoorten waarschijnlijk enkele honderden kilometers naar het noorden zijn opgeschoven. In het zuiden zullen dan waarschijnlijk minder bossen zijn, en in het noorden meer. Ongeveer de helft van de soorten bergplanten loopt risico op uitsterven.


Meer info: