IMPACT OP DE VISSERIJ

Analoog aan de verhoogde opbrengst van cultuurgewassen op het land zal ook de verhoogde CO2-concentratie in het zeewater leiden tot een verhoogde algengroei, terwijl de opwarming van het water zorgt voor een verlengd groeiseizoen:

  • De biomassa (totale hoeveelheid) van dit “fytoplankton” is de laatste decennia sterk toegenomen, bv. in bepaalde zones van het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan en de Noordzee. Waar aan het einde van de jaren ‘40 het grootste deel van de productie beperkt bleef tot de lente en de herfst, is die sinds het einde van de jaren ‘80 ook in de winter- en zomermaanden toegenomen. In de jaren ‘90 is de biomassa in de wintermaanden zelfs met 97 % gestegen ten opzichte van het langetermijngemiddelde.
  • In kustgebieden kan de verhoogde algengroei echter ook toe te schrijven zijn aan de verhoogde concentraties van voedingsstoffen (stikstof) afkomstig van menselijke activiteiten op het land (gebruik van meststoffen in de landbouw, afvalwater, industrie, verkeer, enz.).

Vissen en week- en schaaldieren trekken naar het noorden op zoek naar koudere wateren. Hetzij omdat hun organisme specifieke temperaturen nodig heeft die hun oorspronkelijke habitat niet meer levert, hetzij omdat de planten, het plankton en andere mariene organismen waarmee zij zich voeden, naar het noorden zijn gemigreerd.

Zo zien we in onze wateren alsmaar meer warmwatersoorten (sardienen, ansjovis, enz.). En de soorten die in koudere wateren leven (kabeljauw, schelvis, heilbot, grijze garnalen, enz.) migreren verder naar het noorden.

De herverdeling van het vangstpotentieel naar gebieden met hogere breedtegraden houdt het risico in van een kleinere productie en opbrengst in de tropische landen, met zware gevolgen voor de voedselzekerheid.