IPCC - Special Report

Speciaal IPCC-rapport over de gevolgen van een wereldwijde opwarming van 1,5 °C

181008_IPCC_sr15_spm_reduced.jpgTijdens de 21ste Conferentie van de Partijen (COP21) van het VN-Klimaatverdrag - eind 2015 in Parijs - heeft de internationale gemeenschap een wereldwijd klimaatakkoord aangenomen, dat voor de komende decennia een stevig en ambitieus kader voor klimaatacties op internationaal niveau vastlegt.

Deze ‘Overeenkomst van Parijs’ wil de uitstoot van broeikasgassen zodanig verminderen dat de verhoging van de gemiddelde temperatuur op aarde ruim onder 2°C t.o.v. het pre-industriële niveau blijft, waarbij getracht zal worden deze temperatuurstijging te beperken tot 1,5°C.

De COP21 heeft het intergouvernementeel Klimaatpanel IPCC (Intergovernmental Panel on Climate Change) uitgenodigd om in 2018 een speciaal rapport op te stellen over de gevolgen van een wereldwijde opwarming boven 1,5 °C t.o.v. het pre-industriële niveau, en over de daarbij horende scenario’s voor de wereldwijde uitstoot van broeikasgassen (Decision UNFCCC 1/CP.21).

Het IPCC heeft beslist het werkveld van dit speciaal rapport uit te breiden door het te plaatsen in een context van een versterking van de wereldwijde respons op de uitdagingen van de klimaatverandering, een duurzame ontwikkeling en de strijd tegen de armoede (Decision IPCC/XLIV-4). Het bevat dan ook specifieke wetenschappelijke, technische en sociaal-economische informatie over de impact van de wereldwijde opwarming tot 1,5 °C, maar ook de uitstootscenario’s die overeenstemmen met een dergelijke beperking van de opwarming.

Dit rapport werd goedgekeurd tijdens de 48ste vergadering van het IPCC in Incheon (Korea) en aan de pers voorgesteld op 8 oktober 2018.

Het zal ook de wetenschappelijk basis vormen van de “Faciliterende dialoog” (de zogenaamde Talanoa-dialoog) die in december 2018 zal afgerond worden tijdens COP24 in Katowice (Polen) om een bilan op te maken van de collectieve inspanningen van de Partijen om de langetermijndoelstelling van de Overeenkomst van Parijs te halen en om de landen aan te sporen tegen 2020 nieuwe, meer ambitieuze engagementen aan te gaan.

Kernboodschappen van het rapport

De menselijke activiteiten hebben al geleid tot een opwarming van het klimaat met 1 ± 0,2 °C boven het pre-industrieel niveau. De gemiddelde temperatuur op aarde neemt momenteel met 0,2 ± 0,1 °C per decennium toe ten gevolge van de uitstoot in het verleden en het heden. Aan dit tempo zal de opwarming tussen 2030 en 2052 de 1,5°C overschrijden. Een opwarming met 2°C zal meer schade aanbrengen aan de natuurlijke en menselijke systemen dan een opwarming met 1,5°C.

De klimaatmodellen voorspellen belangrijke regionale verschillen tussen het huidige klimaat en een opwarming van 1,5°C en tussen 1,5°C en 2°C. Deze verschillen manifesteren zich door een toename van de gemiddelde temperatuur in de meeste landen en oceaangebieden, hogere temperaturen in de meeste bewoonde gebieden, intensieve neerslag in de meeste streken, en risico’s op droogte en een tekort aan neerslag in bepaalde regio’s. 

De opwarming beperken tot 1,5°C in plaats van 2°C zou de risico’s verlagen op de gevolgen van de opwarming op de terrestrische, zoetwater-, kust- en mariene ecosystemen, en op de hieraan verbonden ecosysteemdiensten. Sommige gevolgen kunnen lang voelbaar of zelfs onomkeerbaar zijn, zoals het verlies van bepaalde ecosystemen.

Bij een opwarming van 1,5°C zou het zeewaterniveau tegen 2100 ongeveer 0,1 m minder stijgen dan bij een opwarming van 2°C. Het zeewaterniveau zal blijven stijgen na 2100. De omvang en snelheid van deze toename zullen afhangen van de toekomstige uitstoottrajecten. Een tragere stijging van het zeewaterniveau biedt de menselijke en ecologische systemen van de kleine eilanden, laaggelegen kustgebieden en rivierdelta’s meer mogelijkheden om zich aan te passen. De instabiliteit van de ijskap van Antarctica en/of het onomkeerbare afsmelten van de ijskap van Groenland zouden binnen enkele honderden of duizenden jaren een verhoging van het zeewaterniveau met meerdere meters kunnen veroorzaken. Deze fenomenen zouden door een opwarming van 1,5 à 2°C kunnen optreden.

De gevolgen voor de gezondheid, de bestaansmiddelen, de voedselveiligheid, de watervoorziening, de veiligheid van de mens en het potentieel voor economische groei zullen toenemen in het geval van een opwarming van 1,5°C, en nog veel sterker toenemen in het geval van een opwarming van 2°C.

Bijkomende inspanningen zijn nodig op het vlak van de adaptatie (aanpassing). Deze inspanningen zullen groter zijn bij een opwarming van 2°C dan in het geval van een opwarming van 1,5°C. Adaptatie kan de kwetsbaarheid voor een opwarming met 1,5°C verminderen en komt een duurzame ontwikkeling en het terugdringen van de armoede ten goede. Maar er zijn grenzen aan het aanpassingsvermogen van sommige menselijke en natuurlijke systemen. Zelfs als we de opwarming kunnen beperken tot 1,5°C.

Het beperken van de opwarming tot 1,5°C (*) houdt in dat we de wereldwijde uitstoot van broeikasgassen met ongeveer 45% moeten beperken tegen 2030 (in vergelijking met 2010) en rond 2050 een netto nul-uitstoot moeten bereiken. Dat vereist snelle en ingrijpende transities op het vlak van de energie, het landgebruik, de steden en de industrieën, en een belangrijke toename van de investeringen. Elke bijkomende vertraging in het reduceren van de uitstoot kan een overschrijding van een klimaatopwarming van 1,5°C met zich mee brengen. 

(*) Het betreft scenario’s die minstens één kans op twee bieden om de opwarming te beperken tot 1,5°C. Een variante van deze scenario’s laat toe dit niveau tijdelijk te overschrijden om er daarna op terug te vallen.

Verschillende scenario’s bieden de mogelijkheid de opwarming te beperken tot 1,5°C, en alle houden ook rekening met de absorptie (opname) van CO2 uit de atmosfeer (CDR of carbon dioxide removal) op verschillende niveaus. In de meeste gevallen dient deze CO2-opname om de uitstoot te neutraliseren van bronnen waarvoor geen enkele reductiemaatregel geïdentificeerd werd. Deze technieken kunnen het ook mogelijk maken om op wereldschaal een negatieve netto uitstoot te bekomen die de temperatuur laat terugvallen op 1,5°C na een overschrijding (overshoot). Hoe hoger de overschrijding, hoe hoger de afhankelijkheid van technologieën voor negatieve uitstoot, die nog niet op grote schaal getest zijn. De grootschalige toepassing van CDR is echter onderworpen aan tal van beperkingen op het vlak van haalbaarheid en duurzaamheid. Belangrijke uitstootverminderingen op korte termijn en maatregelen voor het beperken van de energievraag kunnen de aanwending van CDR beperken.

De realisatie van de huidige engagementen in het kader van de Overeenkomst van Parijs, zoals voorgesteld in de ‘nationaal bepaalde bijdragen’ (Nationally Determined Contributions - NDCs), zal niet volstaan om de opwarming te beperken tot 1,5°C.

Het verder terugdringen van de uitstoot en bijkomende acties zijn onmisbaar om deze doelstelling te halen en worden geassocieerd met synergiën en wisselwerkingen, maar kunnen ook compromissen vereisen met de diverse VN-doelstellingen voor een duurzame ontwikkeling. De netto balans van de synergiën en de nodige compromissen hangt af van de maatregelen voor het verminderen van de uitstoot en van het beheer van de transitie.