De oceaantemperatuur is in alle groter oceaanbekkens aan het stijgen. Deze evolutie is het gevolg van de stijging van de luchttemperatuur. Gedurende de laatste 100 jaar was er eerst een periode van opwarming (1910-1945), gevolgd door een periode van afkoeling. Vanaf de jaren 1970 is de temperatuur steeds aan het stijgen, Wereldwijd is de temperatuur van het oceaanwater met 0.6 °C gestegen, maar er zijn uiteraard regionale verschillen.
De oceaan heeft immers het grootste deel van de warmte geabsorbeerd die aan het klimaatsysteem werd toegevoegd, en is momenteel reeds tot op een diepte van minstens 3000m opgewarmd. Door de grote warmtecapaciteit van het zeewater wordt de opwarming vertraagd. Men verwacht dan ook dat het zeewater minder zal opwarmen dan het land, en dat de opwarming tegen het jaar 2100 waarschijnlijk “slechts” 1,1° tot 4,6°C zal bedragen.
De opwarming van het zeewater heeft een ganse reeks gevolgen:
Het gemiddelde zeeniveau steeg de voorbije eeuw met 10 à 20 cm. Aan de Europese kusten stijgt het zeewaterniveau momenteel met 0,8 tot 3 mm per jaar. Vorige eeuw werd overal een stijging van gemiddeld 1,6 mm per jaar genoteerd. Sinds 1961 bedroeg dit gemiddelde 1,8 mm per jaar, en tussen 1993 en 2003 zelfs 3,1 mm per jaar !
Een wijziging van het gemiddelde zeewaterniveau aan de kust kan verschillende oorzaken hebben: een vertikale beweging van het land zelf, een lokale wijziging door veranderingen in stromingen of dominante winden, of door een wijziging van het volume van de oceanen op de ganse planeet.
Het is erg waarschijnlijk dat de waargenomen stijging van de laatste 100 jaar voornamelijk toe te schrijven is aan een toename van het volume van het oceaanwater ten gevolge van verschillende factoren die te maken hebben met een algemene klimaatverandering:
Een stijging van de zeespiegel kan ernstige gevolgen voor de kustgebieden hebben:
Het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPPC) voorziet tegen het jaar 2100 een stijging van 18 tot 59 cm in vergelijking met de periode 1980-1999, maar houdt rekening met hogere waarden aangezien recent waargenomen werd dat afvoersnelheid van de gletsjers van Groenland en Antarctica gestegen is.
De stijging van de CO2-concentratie in de atmosfeer leidt tevens tot de verhoging van het bicarbonaatgehalte in het water, en daardoor tot een lichte verzuring. Momenteel is de pH-waarde reeds met 0,1 eenheid gedaald, en zal deze waarde tijdens de 21ste eeuw met 0,14 tot 0,35 eenheden dalen.
Verschillende metingen hebben reeds aangetoond dat de Golfstroom - door het massaal afsmelten van het noordelijke pakijs - vertraagt. De kolossale hoeveelheden warm water (afkomstig van Midden-Amerika) die deze Golfstroom in beweging zet, heeft een sterk milderend effect ons klimaat, waardoor de temperaturen in onze contreien merkelijk hoger liggen dan op plaatsen in bv. Noord-Amerika op dezelfde breedteligging.
Het is volgens de studie van het IPCC van 2007 zeer waarschijnlijk dat de intensiteit van de Golfstroom in de 21ste eeuw zal afnemen. Anderzijds schat het IPCC wel in dat het zeer onwaarschijnlijk is dat die stroom tijdens de 21ste eeuw ook volledig zou stilvallen, wat in West-Europa een dramatische verlaging van de temperaturen met zich zou meebrengen.
In de periode vanaf 1960 tot het begin van de jaren 2000 werden belangrijke wijzigingen in de soortensamenstelling van onze oceanen waargenomen:
Er wordt verwacht dat deze verschuivingen in de samenstelling en leefgebieden van soorten en de productiecapaciteit van de oceanen zich in de toekomst zullen verderzetten, vooral in de meer noordelijk gelegen gebieden.
![]() |