nl | fr
Home
agenda
« Juni 2012 »
M D W D V Z Z
28 29 30 31 1 2 3
4 5 6 7 8 9 10
11 12 13 14 15 16 17
18 19 20 21 22 23 24
25 26 27 28 29 30 1
 
impressionmail
De bijdrage van de belangrijkste sectoren in de totale uitstoot en hun evolutie
JPG - 126.1 kB
Aandeel van de sectoren in de totale uitstoot (%)
JPG - 59.1 kB
Evolutie van de uitstoot van de sectoren t.o.v. 1990

De grafiek hierboven vat de impact samen van de belangrijkste sectoren op de nationale trend. Daaruit blijkt een duidelijke toename in de uitstoot van het wegvervoer (+30%). De uitstoot van de tertiaire sector (verwarming van gebouwen) neemt eveneens toe (+20%). De uitstoot van de residentiële sector daarentegen is met 16,7% afgenomen.

Er valt hierbij op te merken dat het jaar 2011 een uitzonderlijk jaar was: de winter was zeer warm en het was het warmste jaar dat het KMI sinds 1833 in Ukkel (Brussel) optekende. Dit verklaart de abnormaal lage uitstoot van de residentiële sector, zonder dat dit kan toegeschreven worden aan de uitvoering van een bepaald beleid. ter vergelijking: in 2010 was de uitstoot van de residentiële sector 14,1% hoger dan in 1990.

De andere sectoren hebben belangrijke dalingen gekend over het geheel van de periode 1990-2011. Maar de dalingen gedurende de 3 laatste jaren zijn ook gedeeltelijk toe te schrijven aan de crisis die de economische activiteit doet dalen.

De sectoren die in 2011 bijgedragen hebben tot de uitstoot van broeikasgassen zijn opgelijst in volgorde van dalend belang:

JPG - 244.4 kB

De gebouwen

In de residentiële sector nam het brandstofverbruik toe met 12% tussen 1990 en 2005. Dat is vooral te wijten aan het toenemende aantal huizen. Jaarlijkse schommelingen zijn uiteraard klimaatafhankelijk: dit is bijzonder duidelijk voor 1996 en 2010, die koude jaren waren met een duidelijke piek in de uitstoot afkomstig van de verwarming, maar ook voor 2006, 2007 en 2011, met uitzonderlijk warme winters die gekenmerkt waren door een vermindering van het energieverbruik.

In de tertiaire sector nam het brandstofverbruik toe met 69% sinds 1990. Een reden is het toegenomen aantal werknemers met 25% tussen 1993 en 2009. Sinds 1995 werd er een duidelijke overstap opgetekend van vloeibare brandstoffen naar gasvormige brandstoffen; deze waren in 2010 goed voor 71% van het energieverbruik in de sector (zonder elektriciteit en verwarming). Tezelfdertijd nam het elektriciteitsverbruik ook toe met meer dan 50%, vooral door de ontwikkeling van informatietechnologieën en doordat er meer gebruik wordt gemaakt van gekoelde ruimtes en airconditioning.

Het transport

De transportsector is de sector geworden met de belangrijkste bijdrage aan de nationale uitstoot van broeikasgassen, ver boven die van de gebouwen, de industrie en de elektriciteitsproductie. De uitstoot door transport vertegenwoordigt inmiddels 22,5% van de totale uitstoot, 14,3% in 1990. Die toename is grotendeels te wijten aan het wegvervoer, dat in 2011 zorgde voor 97,0% van de totale uitstoot door deze sector.

In de sector van het wegvervoer gaan de meeste indicatoren in stijgende lijn: het aantal voertuigen nam met 46% toe sinds 1990, net als het verkeer (voertuigkilometers) dat in dezelfde periode toenam met 40%. In diezelfde periode nam het vrachtvervoer toe met 77% terwijl het personenvervoer slechts met 28% toenam.

Er was ook een gevoelige verschuiving van benzine- naar dieselwagens.

De gemiddelde motorcapaciteit nam ook toe sinds 1995, en illustreert de overstap naar diesel enerzijds, en het toenemend succes van SUV-voertuigen anderzijds. De gemiddelde leeftijd van de wagens is toegenomen (dankzij een verbeterde bescherming tegen roest en langere levensduur), net zoals de gemiddelde afgelegde afstand, die ondertussen gestabiliseerd is.

Het wegvervoer is een van de belangrijkste bronnen van broeikasgasemissies in België, zoals blijkt uit de trend- en niveauanalyse. Met een toename van de uitstoot van broeikasgassen met 30% tussen 1990 en 2011 vormt het wegvervoer één van de belangrijkste drivers van de emissietrends. Het wegvervoer was tussen 1990 en 2011 verantwoordelijk voor de belangrijkste absolute toename in CO2-uitstoot, nl. + 6,37 miljoen ton CO2-equivalenten.

Het energieverbruik in de industrie

(actualisatie voorzien in april 2013)
De belangrijkste bron voor deze sector zijn de openbare elektriciteitsproductie en warmte-opwekking, die in 2010 verantwoordelijk waren voor 81% van de uitstoot in deze sector. (Deze gegevens zullen in april 2013 geactualiseerd worden.)

De uitstoot door de productie van vaste brandstoffen nam sinds 1990 af met 87% (-1,8 miljoen ton CO2-equivalenten) door het sluiten van vier cokesfabrieken in respectievelijk 1993, 1994, 1997 en 2002. Ondertussen nam de uitstoot door aardolieraffinage toe met 7,9%, te wijten aan een verhoogde productie en aan de algemene economische context.

De productie van elektriciteit en warmte nam toe met 78% tussen 1990 en 2010, maar de uitstoot daalde lichtjes (-9%), dankzij technologische verbeteringen en de omschakeling van vaste naar gasvormige brandstoffen.

De omvorming van energie

(actualisatie voorzien in april 2013)
Het primaire energieverbruik nam af met 23% tussen 1990 en 2010 (en met 39% indien 2009 beschouwd wordt). Die spectaculaire daling valt duidelijk toe te schrijven aan de impact van de economische crisis in de ijzer- en staalsector. Die duidelijke ontkoppeling van toegevoegde waarde en energieverbruik kan worden toegeschreven aan een aantal drivers in verschillende sectoren:

In de ijzer- en staalindustrie zijn heel wat fabrieken sinds 1990 overgestapt op elektrische ovens. Het elektriciteitsverbruik in de sector nam zo toe met 28% tussen 1990 en 2002. Dat is de belangrijkste oorzaak van de duidelijke daling in het energieverbruik, hoewel in deze sector een stabiele toegevoegde waarde wordt opgetekend. Deze sector vertegenwoordigt nog 26% van het energieverbruik van de verwerkende industrie in 2010 en heeft dus een

In de chemische sector nam het energieverbruik tussen 1990 en 2006 met 47% toe, terwijl de toegevoegde waarde toenam met 65%. Die relatieve ontkoppeling heeft te maken met een rationeel energieverbruik en met producten met een grote toegevoegde waarde.

De voedsel- en drankindustrie was in 2006 goed voor 7% van het energieverbruik in de verwerkende nijverheid, maar voor 13 à 14% van de toegevoegde waarde. Deze sector vertoont de sterkste stijging in toegevoegde waarde vergeleken met het energieverbruik.

In cementbedrijven hangt de ontkoppeling tussen het energieverbruik en de totale productie samen met het productieproces: het droge proces, dat aanzienlijk minder energie opslorpt, vervangt geleidelijk aan het nat proces en wordt nu aangewend voor 71% van de productie, tegenover 61% in 1990.

De industriële (niet energetische) processen

(actualisatie voorzien in april 2013)
De sector van de ’industriële processen en F-gassen’ omvat de uitstoot door industriële activiteiten, maar niet de uitstoot die vrijkomt bij de verbranding van fossiele brandstoffen. In 2010 werd deze uitstoot van broeikasgassen vooral veroorzaakt door de chemische industrie (43% van de uitstoot, waarvan 21% uitsluitend voor de productie van salpeterzuur en ammoniak) en door de minerale producten (34% van de uitstoot, waarvan 31% voor de productie van cement en kalk). De metaalproductie (sterk afgenomen sinds 2008 door toedoen van de economische crisis) en gefluoreerde gassen waren goed voor respectievelijk 8% en 15% van de totale uitstoot in deze sector.

De landbouw

De uitstoot van deze sector (9,4% van de uitstoot) is eveneens aan het dalen in vergelijking met 1990 (-17,9%), vooral dankzij het verkleining van de veestapel.

De uitstoot door de landbouw (zonder verbranding) bedraagt in 2011 7,8% van de totale uitstoot in België. In totaal (met inbegrip van de uitstoot van de energiesector) is de uitstoot verminderd met 17,9% tussen 1990 en 2011.

De afvalsector

Broeikasgasemissies uit afval (exclusief verbranding met warmterecuperatie) vertegenwoordigden 1,3% van de nationale uitstoot in 2011, vergeleken met 2,3% in 1990. Die daling valt te verklaren door de daling van de uitstoot van methaan (CH4) uit het storten van vast afval op het land, die in 2011 49% van de totale uitstoot van deze sector vertegenwoordigde. De recuperatie van dit biogas op stortplaatsen – het gas wordt afgefakkeld of verbrand omwille van zijn energetische inhoud - wordt sinds 1990 veelvuldig toegepast en is de belangrijkste driver van de trend in deze sector.

De 51% resterende uitstoot van broeikasgassen is afkomstig van drie bronnen: afvalverbranding, afvalwaterzuivering en composteren.

De andere bronnen

Zij dekken nauwelijks 0,8% van het totaal.

 
 
Laatste update : 30/01/2013