In vele delen van de wereld is de soortensamenstelling veranderd en zijn soorten uitgestorven aan een snelheid die 100 tot 1000 keer hoger ligt dan normaal. Maar waar vroeger vooral de inkrimping, versnippering en vernieling van de natuurlijke leefgebieden en de vervuiling de voornaamste oorzaken van de achteruitgang van de biodiversiteit vertegenwoordigden, zou de opwarming van de aarde tegen het einde van de 21ste eeuw wel eens dé belangrijkste oorzaak kunnen worden.
Dat is één van de belangrijke bevindingen de grootste studie over de biodiversiteit ooit, de tweede “Millennium Ecosystem Assessment”, waaraan 1360 onderzoekers wereldwijd meewerkten. Dat de invloed van klimaatwijzingen zo groot kan zijn, wordt verklaard door het feit dat het klimaat in sterke mate het verspreidingsgebied van de soorten, het voorkomen van natuurlijke verstoringen zoals bosbranden, en de beschikbaarheid van voedsel door wijzigingen in de bodemsamenstelling bepaalt.
Een studie die begin 2004 in het wetenschappelijk blad “Nature” verscheen, schatte zelfs dat klimaatverandering tegen 2050 zou kunnen leiden tot de uitroeiing van meer dan een miljoen soorten die op het land voorkomen. Een andere studie uit datzelfde jaar schat in dat 18 tot 35% van alle levende wezens op aarde veroordeeld zouden worden tot een geleidelijke uitsterving naargelang het minimum of maximum scenario van het IPCC.
Vooral in berggebieden kan een klimaatverandering tot belangrijke verschuivingen leiden. Door opwarming zullen de verschillende vegetatiegordels langzaam naar hoger gelegen, koelere gebieden opschuiven (300 à 400 m hoger bij een temperatuurstijging van 2°C). Maar voor soorten die in de hoogst gelegen gebieden voorkomen, bestaat er uiteraard geen uitweg meer. En aangezien liefst een kwart van alle bloeiende planten op het Europese continent uitsluitend in deze hooggelegen gebieden voorkomen, betekent klimaatverandering een ernstige bedreiging voor deze veelal inheemse soorten. Het beroemde edelweiss, de koningin van de Alpen, komt dan wel degelijk in gevaar !
Bovendien zal het opschuiven van de boomgrens naar grotere hoogten (waarbij de struiktoendra vervangen wordt door bomen) een belangrijk effect hebben op de stralingsbalans, vooral in het geval van sneeuwval, waardoor de opwarming nog kan vergroten.
Een toename van de temperatuur met 3°C tegen het jaar 2100 zou overeenkomen met een verschuiving van de klimaatgordels en dus ook van de leefgebieden van de soorten in het noordelijk halfrond met 300 à 400 km naar het noorden.
De laatste decennia is er in Europa een noordwaartse uitbreiding van verschillende plantensoorten geobserveerd. Veel plantengemeenschappen in pool- en toendragebieden zijn aangetast en gedeeltelijk vervangen door bomen en dwergstruiken. In een aantal landen van Noordwest-Europa (bv. Nederland, Engeland en Noorwegen) zijn thermofiele (warmteminnende) planten sterker aanwezig, terwijl er een kleine achteruitgang is van kouderesistente planten. Deze wijziging in de samenstelling is te wijten aan de migratie van nieuwe warmteminnende soorten naar deze gebieden, en aan de sterkere aanwezigheid van de reeds aanwezige soorten.
Het IPPC voorspelt dat de impact van klimaatverandering op de samenstelling van plantengemeenschappen de komende decennia nog zal toenemen. Vooral de soorten die reeds in gevaar verkeren omwille van hun lage aantallen, hun ingekrompen of verspreide leefgebieden, en soorten die specifieke eisen hebben op het vlak van hun klimaat beperkt klimatologisch bereik, lopen extra risico’s.
Meer info:
![]() |