De verplichting voor de ontwikkelde landen om bij te dragen aan de financiering van de strijd tegen de klimaatverandering in de ontwikkelingslanden vloeit voort uit de algemene beginselen van het Kaderverdrag inzake klimaatverandering van de Verenigde Naties. Het UNFCCC omvat trouwens een financieel mechanisme met als belangrijkste kanaal het GEF (Global Environment Facility). Achteraf werd dit financiële mechanisme uitgebreid met het « Least Developed Countries Fund » (LDCF), het « Special Climate Change Fund » (SCCF) en het aanpassingsfonds.
Naast de instellingen onder de bescherming van het Verdrag, spelen ook nog tal van actoren een belangrijke rol in de financiering van de activiteiten inzake matiging en aanpassing aan de klimaatverandering in de ontwikkelingslanden. De Wereldbank en de « Climate Investment Funds » (CIFs) zijn enkele van de belangrijkste financiers, naast de bilaterale steun die ook vandaag nog het hoofdaandeel in de klimaatfinanciering vormt.
In weerwil van de geleidelijke uitbouw van een netwerk van nationale en internationale instellingen die actief zijn op het vlak van steun aan de ontwikkelingslanden in de strijd tegen de klimaatverandering, blijft de internationale financiering een van de belangrijkste uitdagingen van het UNFCCC-onderhandelingsproces. Eerst een vooral omdat de beschikbare bedragen ontoereikend blijken te zijn om te voldoen aan de behoeften van de ontwikkelingslanden en in tweede instantie omwille van de complexiteit en de logheid van de instellingen die belast zijn met deze financiering.
Om al deze redenen heeft het Bali-actieplan, dat werd goedgekeurd in 2007, van de financiering één van zijn belangrijkste thema’s (building blocks) gemaakt. De akkoorden van Kopenhagen (2009) en later van Cancun (2010) hebben ertoe bijgedragen om deze verwachtingen deels waar te maken:
Enkele van de belangrijkste kwesties die tot op heden onbeslist bleven zijn onder meer:
![]() |