nl | fr
Home
agenda
« Juni 2013 »
M D W D V Z Z
27 28 29 30 31 1 2
3 4 5 6 7 8 9
10 11 12 13 14 15 16
17 18 19 20 21 22 23
24 25 26 27 28 29 30
 
impressionmail
Impact van de klimaatverandering in België

1. Impact op het weer

2. Impact op de biodiversiteit


1. Impact op het weer

Ook in België zijn er duidelijke tekenen dat er een opwarming van het klimaat aan de gang is. Dankzij de bijzonder lange reeksen observaties (sinds 1833 !) in de Brusselse regio (in Sint-Joost-ten-Node en vooral in Ukkel), is het Koninklijk Meteorologisch Instituut (KMI) in staat de tendensen in ons land te analyseren.

Op het vlak van de temperatuur:

  • De gemiddelde jaartemperatuur is sinds het begin van de metingen met ongeveer 2°C gestegen. De impact van de klimaatverandering laat zich in ons land dus sterker voelen dan gemiddeld (de toename op wereldvlak bedraagt 0,74 °C). De stijging gebeurde echter niet gelijkmatig, maar in twee abrupte sprongen van ongeveer een graad, nl. rond 1910 en aan het einde van de jaren 1980.
JPG - 55 kB
  • Uit de analyses van de minimumtemperaturen sinds 1900 blijkt tevens dat de laatste vorstdag (een dag met een minimumtemperatuur lager dan 0°C) op het einde van de winter zich steeds vroeger in het jaar manifesteert, terwijl de eerste vorstdag aan het begin van de winter verlaat. De vorstperiode wordt dus korter.
  • De jaren 1990 vormden het warmste decennium sinds 1833, het jaar dat de temperatuurwaarnemingen in Ukkel startten.
  • Sinds het begin van die temperatuurwaarnemingen hebben de 16 warmste jaren zich gedurende de afgelopen 24 jaar (vanaf 1989) voorgedaan. Elf daarvan hebben zich… de laatste 10 jaar voorgedaan (vanaf 2002 tot en met 2012)!
De 17 warmste jaren te Brussel-Ukkel
telkens met hun gemiddelde temperatuur (in °C)
Jaart (°C)Jaart (°C)
201111,62199411,06
200711,52200511,03
200611,35200911,02
198911,26199510,93
200211,23200810,88
199011,21199710,76
200011,17200110,73
200311,14200410,68
199911,14
  • 2012 was een relatief normaal jaar met een gemiddelde temperatuur van 10,59 °C.
  • Het jaar 2007 was een absoluut recordjaar: de gemiddelde jaartemperatuur van 11,5 °C was de hoogste sinds het begin van de metingen in 1833. In de lente was de temperatuur zelfs 3 graden hoger dan de normale seizoenstemperatuur. Maar ook de herfst van 2006 en de winter 2006-2007 hadden ieder al een record gebroken.
  • In 2008 - een jaar met een relatief slechte zomer - lag de gemiddelde temperatuur "slechts" op 10.9°C, wat nog steeds 1,2°C boven de normale waarde van de 20ste eeuw ligt en op zich al als ’zeer abnormaal’ beschouwd wordt. Het was bovendien "zeer uitzonderlijk" te noemen dat er in de winter geen enkele “winterse dag” was (geen enkele dag waarbij de maximumtemperatuur niet boven 0°C uitkwam).
  • Nog een recent record: de meteorologische lente (1 maart - 31 mei) van 2011 was - met een gemiddelde temperatuur van 12,2°C - de op één na warmste sinds het begin van de metingen van het KMI (1833). Het KMI beschouwt deze recordwaarde officieel als "zeer uitzonderlijk", wat synoniem is voor "een keer op 100 jaar voorkomend". De warmste lente ooit hadden we in 2007 met een gemiddelde temperatuur van 12,3°C. 2009 staat op de derde plaats met 11,1°C. De gemiddelde lentetemperatuur (1981-2010).bedraagt 10,1°C.
  • Sinds het midden van de jaren 1990 neemt het jaarlijks aantal hittegolven beduidend toe (een hittegolf is een periode van 5 opeenvolgende dagen, waarbij de maximumtemperatuur elke dag minstens 25°C bedraagt, en in die periode tenminste 3 dagen 30°C of meer bereikt). Tussen 1954 en 1990 werden er slechts 4 genoteerd, tussen 1990 et 2008 minstens 12.
  • Sinds de jaren 1970 is er ook een beduidende afname van de koudegolven (een koudegolf is een periode van 5 opeenvolgende dagen, waarbij de minimumtemperatuur elke dag beneden het nulpunt ligt, en in die periode ook de maximumtemperatuur tenminste 3 dagen beneden het nulpunt blijft).
  • De gemiddelde temperatuur in Brussel lag in de eerste 5 jaar van het vorige decennium (de periode 2000-2004) 1,2°C hoger dan in de eerste 5 jaar van de jaren 1970 (17,7°C in plaats van 16,5°C).
GIF - 30.8 kB
De gemiddelde dagtemperatuur in de periode juni-september, tussen 1970 en 2004
  • Er wordt verwacht dat de temperaturen in de zomer tegen het einde van deze eeuw met 2,4 tot 6,6 °C zullen toenemen, en in de winter met 1,7 tot 4,9 °C. Als de uitstoot van CO2 aan het huidige tempo blijven toenemen, zullen de zomertemperaturen tegen het einde van de eeuw vergelijkbaar zijn aan dan die in Zuid-Spanje op het einde van de 20e eeuw, en zouden extreme temperaturen van 50°C kunnen bereikt worden. Een zomer op twee zou dan tenminste zo warm zijn als die van 2003!
  • Het verschil in temperatuur tussen dag en nacht zal kleiner worden, aangezien de maximale nachttemperaturen sterker stijgen dan de maximale dagtemperaturen. Tevens zullen het wolkendek en de kans op ernstige hittegolven en op zware of extreme neerslag toenemen. Ook extreme weersomstandigheden zoals droogte en stormen zullen normaal gezien toenemen (mogelijk 30% meer stormen tegen het jaar 2050).

Op het vlak van de neerslag:

  • Het KMI noteerde rond 1910 een belangrijke stijging (met zo’n 7%) van de gemiddelde jaarlijkse neerslag. Op het vlak van de seizoenen valt er zelfs een stijging van ongeveer 15% te noteren bij de winterneerslag en de zomerneerslag.
  • Van de 11 natste jaren sinds 1833, het jaar dat de temperatuurwaarnemingen in Ukkel startten, treffen we er 10 aan in de laatste 45 jaar (periode vanaf het jaar 1960). De twee recordhouders zijn het jaar 2001 en 2002, met ongeveer 1080 mm neerslag tegenover de normale 980 mm.
JPG - 55.2 kB
Neerslag Ukkel 1833-2012
  • Op het vlak van het jaarlijks aantal dagen met neerslag (waarop minstens 1 mm neerslag wordt waargenomen) valt er echter geen omerkelijke toename te noteren. Enkel in de lente is het aantal dagen met neerslag sinds het midden van de jaren 1960 significant toegenomen.
  • In tegenstelling tot hetgeen gedacht wordt, is er geen toename waargenomen in het aantal zomerse onweersbuien (dagen met een intense neerslag van meer dan 20 mm), al werden wel de 3 hoogste waarden van de ganse meetreeks in de loop van de laatste jaren waargenomen. Enkel in de stations nabij de Kust werd sinds de jaren 1980 een significante stijging van extreme neerslag waargenomen. Het feit dat er de laatste jaren in de zomer behoorlijk wat schade is aangericht door felle onweders, is dus waarschijnlijk toe te schrijven aan andere factoren, zoals de toenemende densiteit van de bebouwing (daken) en van de totale oppervlakte ondoordringbare bodem (verharde oppervlakten zoals wegen en parkings), die voor een versnelde afvoer van het regenwater vormen.
  • Sinds het einde van de jaren 1970 wordt er daarentegen wel een duidelijke stijging waargenomen in de jaarlijkse extremen over een periode langer dan een week. De meeste “jaarlijkse extreme waarden” worden in de winter opgetekend.
  • Het aantal dagen met sneeuwval kende een opvallende daling rond 1920 en een nog groteere daling aan het einde van de jaren 1980. Dit is toe te schrijven aan de zachtere wintertemperaturen.

Op het vlak van de windsnelheden:

  • In verschillende regio’s daalde de jaarlijkse gemiddelde windsnelheid sinds het begin van de jaren 1980 met zo’n 10%. Dit fenomeen trad echter niet op inde wintermaanden.
  • Het jaarlijks aantal stormdagen (dagen dat de windstoten tot boven 70 km/u oplopen) kan sterk schommelen maar vertoont geen speciale evolutie. Uit metingen in verschillende stations is gbeleken dat het aantal stormdagen de laatste 20 jaar niet gestegen is.
  • Ook de intensiteit van de stormen is de laatste decennia niet toegenomen.

En in de toekomst ?

Alhoewel de evolutie van de temperaturen voor een klein land als het onze moeilijk te voorspellen is (ondermeer omwille van de grote natuurlijke variabiliteit van de temperaturen), suggereren prognoses dat tegen het einde van de 21ste eeuw de zomertemperaturen met 2,4 tot 6,6 °C zullen stijgen (met uitzonderlijk pieken van 50 °C), en de wintertemperaturen met 1,7 tot 4,9 °C. België krijgt dan met andere woorden een klimaat dat vergelijkbaar is met dat van Zuid-Spanje nu.

De koude winters zullen dus geleidelijk verdwijnen. Het verschil in temperatuur tussen dag en nacht zal kleiner worden, aangezien de maximale nachttemperaturen sterker stijgen dan de maximale dagtemperaturen. Tevens zullen het wolkendek en de kans op ernstige hittegolven en op zware of extreme neerslag toenemen.

Projecties van wetenschappers van de Université Catholique de Louvain (UCL) voorspellen tegen het einde van de 21ste eeuw een onveranderde of gedaalde neerslag in de zomer (tot -50%) en een toename van 6 tot 23% in de winter. In de winter zal het debiet van de verschillende rivierbekkens dan ook met zo’n 4 tot 28 % toenemen, met een verhoogd risico op overstromingen tot gevolg. Deze overstromingen zullen mogelijk belangrijke schade aanrichten aan weginfrastructuren, bruggen of woningen in risicogebieden, oevers doen afkalven en erosie van landbouwgebieden veroorzaken.

Ook extreme weersomstandigheden zoals droogte en stormen zullen normaal gezien toenemen (mogelijk 30% meer stormen tegen het jaar 2050).

2. Impact op de biodiversiteit

In ons land loopt 25 à 75% van de soorten het risico zeer sterk in aantal af te nemen. Daarvoor zijn veel oorzaken verantwoordelijk, zoals de aantasting van hun leefgebieden door versnippering, bebouwing, de vervuiling van de bodem, het water en de lucht, enz. Klimaatverandering legt een extra druk op deze soorten, en zorgt bovendien voor de invasie van uitheemse, meer warmteminnende soorten uit zuidelijker gebieden.

  • Zo worden in Wallonië sinds een aantal jaren door de opeenvolging van warme en droge zomers een negental zuiderse soorten libellen steeds vaker waargenomen. Hetzelfde geldt voor andere zuiderse insectensoorten zoals sprinkhanen, krekels, vlinders enz.
GIF - 197.7 kB
  • Spinnenonderzoek in de Antwerpse binnenstad door de gebroeders Van Keer heeft aangetoond dat er momenteel een aantal soorten voorkomen, zoals de witrugzakspin, die oorspronkelijk een meer zuiderse verspreiding kenden. Alles wijst erop dat ze op eigen kracht naar Antwerpen afgezakt zijn, en er overleven. Bovendien werden er buitenshuis ook soorten aangetroffen die bij ons normaal gezien alleen binnenshuis voorkomen. Dit alles wijst volgens de arachnologen (spinnenspecialisten) duidelijk op een geleidelijke opwarming van het klimaat."

Meer info:

 
 
Laatste update : 18/02/2013