Het Coördinatiecomité Internationaal Milieubeleid (CCIM)

Juridische basis

Het Samenwerkingsakkoord van 5 april 1995 tussen de federale Staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest met betrekking tot het internationaal milieubeleid.

 

Taken

  • de voorbereiding van het standpunt van de Belgische delegatie bij de Internationale Organisaties of de Internationale ministeriële conferenties, en een inschatting maken van de financiële gevolgen van eventuele beslissingen door deze organisaties
  • de samenstelling bepalen van deze Belgische delegatie, en een woordvoerder hiervoor aanduiden
  • de organisatie van het overleg voor een gezamenlijke uitvoering van de aanbevelingen en beslissingen van deze internationale instanties
  • de voorbereiding van de agendapunten van de interministeriële leefmilieuconferenties
  • de supervisie over de gegevensverzameling voor het beantwoorden van vragen van internationale organisaties en eventueel de uitwerking van gezamenlijke (federaal + gewesten) rapporten voor deze organisaties
  • het verstrekken van advies voor vragen van ministers of staatssecretarissen die in het comité vertegenwoordigd zijn


Werking

Het CCIM wordt voorgezeten door de Directeur-generaal van DG Leefmilieu van de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu. Beslissingen worden genomen op basis van consensus. Het comité vergadert eenmaal per maand en wordt voorbereid door een beperkt bureau.

Er zijn een 20-tal stuurgroepen. Het federale DG Leefmilieu verzekert onder meer het voorzitterschap en secretariaat van de Stuurwerkgroep Broeikaseffect en de Stuurgroep Stratosferische ozon.

De Europese dossiers worden opgevolgd door specifieke netwerken van experten, waarvan de piloot de coördinatie van het Belgische standpunt verzekert. 

Sinds 2004 wordt in het kader van het plenaire CCIM tweemaal per jaar - ter gelegenheid van elk voorzitterschap van de Raad - ook een overleg met stakeholders georganiseerd, nl. met de industrie (via het VBO en de 3 regionale federaties), de NGO’s (via de 4 regionale federaties) en de vakbonden. Deze stakeholders worden ook betrokken bij de voorbereiding van de Belgische standpunten voor zover de Europese dossiers tot hun interessedomein behoren.

 

Samenstelling

De volgende personen, administraties of instellingen zijn vertegenwoordigd :

  • elke federale en gewestelijke minister met milieu- of natuurbehoudsbevoegdheden
  • elke federale en gewestelijke milieu-administratie :
    • het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie van het Vlaamse Gewest
    • Leefmilieu Brussel
    • de Direction générale opérationnelle Agriculture, Ressources naturelles et Environnement du Service public de Wallonie
    • het DG Leefmilieu van de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu
  • de federale Minister van buitenlandse zaken
  • de FOD Buitenlandse Zaken (DG MULTI)
  • de Minister of Staatssecretaris van Ontwikkelingssamenwerking
  • het DG Ontwikkeling van de FOD Buitenlandse Zaken
  • de Belgische permanente vertegenwoordiging bij de Europese Unie
  • andere leden of administraties van federale of gewestelijke regeringen indien gesproken wordt over materies die onder hun competentie vallen (op uitnodiging)
  • de volgende instellingen die een permanent expert aanduiden:
    • Vlaamse Milieu Maatschappij (VMM)
    • Vlaamse Openbare Afvalstoffenmaatschappij (OVAM)
    • Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen