Hernieuwbare energie en biobrandstoffen 

20% hernieuwbare energie tegen 2020

De Europese Richtlijn 2009/28/EG inzake de promotie en het gebruik van energie van hernieuwbare bronnen dient invulling te geven aan het voornemen van de Europese 3

+6leiders om tegen 2020 20% van ons bruto finaal energiegebruik uit hernieuwbare bronnen te halen. Deze doelstelling werd verdeeld tussen de lidstaten)-, waarbij België een doelstelling van 13% toegewezen kreeg.

Interessant aan deze doelstelling is dat het een relatieve doelstelling is ten opzichte van het energiegebruik. Met andere woorden hoe meer energiebesparing hoe eenvoudiger het wordt om de doelstelling hernieuwbare energie te verwezenlijken.

Het percentage wordt berekend door de som te maken van alle energie afkomstig van hernieuwbare energiebronnen, nl. de opgewekte elektriciteit (uit fotovoltaïsche panelen, biomassa, wind,…), de energie gebruikt voor warmte en koeling (uit zonneboilers, warmtepompen, biomassawarmte,…) en de energie gebruikt in het transport (afkomstig van hernieuwbaar opgewekt waterstofgas, biobrandstoffen, elektriciteit), en deze som te delen door het totaal bruto finaal energiegebruik. Lidstaten moeten hierbij opletten dat er nergens dubbeltellingen gebeuren.

De federale overheid levert een belangrijke bijdrage aan de realisatie van deze doelstelling via haar beleid op het vlak van offshore-windenergie en biobrandstoffen.

 

10% hernieuwbare energie in de transportsector

Deze richtlijn bevat naast de algemene doelstelling ook een specifieke doelstelling voor de transportsector: elke lidstaat moet er immers op toezien dat het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen in alle vormen van vervoer in 2020 minstens 10 % bedraagt van het totaal energieverbruik in deze sector. Bij de berekening hiervan wordt een andere weging gebruikt voor de biobrandstoffen van de tweede generatie[1] en het elektrisch wegtransport en speelt ook het spoorverkeer een rol. De belangrijkste bijdrage aan de doelstelling bestaat in ons land uit de biobrandstoffen van de eerste generatie[2].

De richtlijn bepaalt ook aan welke criteria de biobrandstoffen moeten voldoen om als duurzaam beschouwd te kunnen worden. Deze criteria hebben betrekking op de CO2-intensiteit van de biobrandstoffen en op de impact van de kweek van hun grondstoffen op de biodiversiteit en op het landgebruik.

Momenteel wordt gewerkt aan een herziening van de biobrandstoffenbepaling in deze richtlijn, waarbij het debat zich concentreert op het indirecte landgebruik voor de biobrandstoffen van de 1ste generatie en op de duurzaamheid van biobrandstoffen van de 2de generatie, waarbij ook de rekenregels aangepast zullen worden.

Meer info over biobrandstoffen 



[1] Biobrandstoffen van de 'tweede generatie' gebruiken niet-voedselplanten of niet eetbare delen van voedselplanten (bv. energiegewassen zoals wilg of houtsnippers) die groeien op niet-landbouwgrond, of op basis van vetten (bv. oude frituurolie) of organisch afval.

[2] Biobrandstoffen van de 'eerste generatie' worden geproduceerd op basis van zetmeel-, suiker- of oliehoudende voedselgewassen (bv. maïs, tarwe, suikerbiet, suikerriet, koolzaad, oliepalm,…) of bezetten landbouwgrond die dan niet meer voor voedselproductie ingezet kan worden.