De klimaattop in Doha :
enkele voorzichtige stappen vooruit

 Doha-meeting2.jpg

 

Van 26 november tot 8 december 2012 ging in Doha, de hoofdstad van oliestaat Qatar, de jaarlijkse VN-klimaatconferentie door. Zoals bijna steeds het geval is, bleef er tot op het allerlaatste moment grote onzekerheid over de resultaten van deze belangrijke top. Uiteindelijk werden er toch een aantal belangrijke beslissingen genomen, die de naam “Doha Climate Gateway” meekregen.

 

Een verlenging van het Kyotoprotocol voor de periode 2013-2020

Op de vorige klimaattop van Durban (december 2011) werd na 6 jaar onzekerheid eindelijk de politieke beslissing genomen om tijdens de top in Doha formeel een zogenaamde tweede verbintenissenperiode onder het Kyotoprotocol te onderschrijven (de eerste verbintenisperiode verloopt immers op 31/12/2012).

Toch werd er slechts op de valreep een akkoord bereikt over een 2de verbintenisperiode van 8 jaar (2013-2020), waarbij 37 industrielanden (de 27 EU-Lidstaten en IJsland en Kroatië, die binnenkort toetreden, Noorwegen, Zwitserland, Australië, Oekraïne, Wit-Rusland en enkele kleine staatjes zoals Monaco en Liechtenstein) kwantitatieve reductiedoelstellingen aangaan om hun emissies samen met minstens 18 % te verminderen.

Deze doorbraak is cruciaal: de ontwikkelingslanden verwachten immers dat de ontwikkelde landen de leiding blijven nemen. Zonder deze doorbraak zouden de toekomstige onderhandelingen over een nieuw mondiaal instrument bijzonder moeilijk geworden zijn… Bovendien is en blijft het Kyotoprotocol het enige internationale akkoord dat wettelijk bindende doelstellingen oplegt en zo de zekerheid creëert dat deze doelstellingen ook werkelijk gehaald worden.

Toch was dit akkoord over een tweede verbintenisperiode geen sinecure omdat:

  • Een aantal industrielanden met een belangrijke uitstoot geen nieuwe engagementen onder het Kyotoprotocol wilden aangaan, nl. Canada (met sterke oliebelangen), Japan (van plan kerncentrales te vervangen door steenkoolcentrales), Rusland en Nieuw-Zeeland. Aangezien de VS – de tweede grootste uitstoter ter wereld, die het eerste protocol niet had geratificeerd – ook nu geen bereidheid tot ‘toetreding’ aan de dag legde, vertegenwoordigen de landen die akkoord gaan met het tweede protocol slechts zo’n 15% van de globale uitstoot aan broeikasgassen.
  • Er veel onenigheid was over de overtollige emissierechten uit de eerste verbintenisperiode, de zogenaamde ‘surplus Assigned Amount Units’ (AAU’s) of ‘hot air’. Uiteindelijk werd - in lijn met een voorstel dat België vorig jaar in Durban lanceerde! - een akkoord bereikt dat een volledige overdracht toelaat, maar dit overschot in een “reserve” stopt en de aankoop ervan beperkt tot 2% van de toegewezen hoeveelheden uit de 1ste verbintenisperiode. In de 2de verbintenisperiode zal het ontstaan van een nieuw surplus worden vermeden door het bij het begin van de periode onmiddellijk te annuleren. De EU, IJsland, Kroatië, Japan, Australië, Noorwegen, Zwitserland, Liechtenstein en Monaco verklaarden bovendien dat ze dergelijke rechten niet langer zullen aankopen.

Bijkomend werd ook beslist dat landen zonder reductiedoelstellingen in de 2de verbintenisperiode geen AAU-overshotten kunnen verkopen en bovendien helemaal geen emissierechten meer zullen kunnen verhandelen.

De emissiereducties die industrielanden tot op heden in het Kyotoprotocol hebben ingeschreven of hebben aangekondigd na de Conferentie van Kopenhagen, volstaan niet in het licht van de aanbevelingen van het IPCC dat reducties voor de ontwikkelde landen in de grootteorde van -25 tot -40% tegen 2020 noodzakelijk acht om de opwarming van de aarde te beperken tot 2°C. Daarom wordt in 2014 een herziening van de reductiedoelstellingen (naar een hoger ambitieniveau) voorzien, wanneer daarover ook een ‘High Level Ministerial Round Table’ zal worden georganiseerd.

 

Een werkprogramma voor de verhoging van ambitie en voor een nieuw wettelijk akkoord in 2015

Met de goedkeuring (eind 2011 op de klimaattop van Durban ) van het ’Durban Platform for Enhanced Action’ werd het pad geëffend voor de toekomst van het klimaatregime. Er werd immers besloten om onderhandelingen op te starten over een globaal bindend akkoord dat van toepassing zal zijn op alle landen vanaf 2020. Deze onderhandelingen moeten tegen eind 2015 afgerond zijn.

In Doha werd hiervoor een eerste werkprogramma aangenomen. Dit programma voorziet twee bijkomende onderhandelingssessies in 2013 en een ontwerpakkoord dat klaar moet zijn tegen eind 2014. De secretaris-generaal van de VN, Ban Ki Moon, zal hiervoor in 2014 een klimaattop voor staats- en regeringsleiders samenroepen.

Het Durban Platform voorzag ook een verhoging van het ambitieniveau van de uitstootreducties verhoogd voor 2020 omdat de huidige engagementen niet volstaan om de 2°C-doelstelling te halen. Hierbij zal uiteraard gekeken worden naar de nodige emissiereducties zelf, maar ook naar de aanpassing aan de gevolgen van klimaatverandering, het elimineren van barrières en steun voor ontwikkelingslanden (financiering, technologie en capaciteitsopbouw).

 

Afsluiting van het werk onder het Bali Action Plan

Nadat dat in Kopenhagen in 2009 was mislukt, was in Durban in 2011 beslist om het werk van de ‘Ad hoc Working Group on Long-term Cooperative Action under the Convention’ (AWG-LCA, opgericht tijdens de klimaattop van Bali, eind 2007), die in de loop der jaren de nodige beslissingen nam om de bouwstenen voor het toekomstig klimaatbeleid uit te werken, af te sluiten. België leverde de vice-voorzitter (Prof. Dr. Marc Pallemaerts) voor deze cruciale laatste fase van de onderhandelingen.

Intussen werd er echter nog gewerkt aan bijkomende beslissingen over “shared vision” (de langetermijnvisie), de herziening van de doelstellingen in de periode 2013-2015 (op basis van het in 2014 verwachte nieuwe IPCC-rapport), mitigatie in ontwikkelde en ontwikkelingslanden, marktmechanismen, ontbossing, financiering van het klimaatbeleid, adaptatie, technologie en capaciteitsopbouw. Er werd vooral vooruitgang geboekt op het vlak van de operationalisering van de nieuwe instellingen die door de akkoorden van Cancun en Durban in het leven zijn geroepen, en de verschillende thematieken werden in de werkprogramma’s van de subsidiaire organen van het klimaatverdrag (SBSTA en SBI) in overweging genomen.

Veel aandacht ging in Doha naar de klimaatfinanciering. De ontwikkelingslanden vroegen van de ontwikkelde landen om meer duidelijkheid over financiële ondersteuning in de periode 2013-2020. Op de top van Kopenhagen (2009) was er immers beslist dat industrielanden in de periode 2010-2012 30 miljard US$ en tegen 2020 100 miljard US$/jaar zouden vrijmaken voor klimaatfinanciering.

De nood aan het verhogen van de klimaatfinanciering werd erkend, maar er werden geen concrete afspraken gemaakt over financieringstrajecten tussen 2012 en 2020. Wel hebben een aantal individuele EU-lidstaten en de Europese Commissie aangekondigd hoeveel ze in de komende jaren veil hebben voor klimaatsteun aan ontwikkelingslanden. De COP riep alle landen op om tegen de volgende sessie hun strategieën voor het mobiliseren van 100 miljard US$ bekend te maken.

Het werkprogramma voor langetermijn-klimaatfinanciering, dat in Durban van start was gegaan, werd met 1 jaar verlengd om industrielanden bij te staan trajecten voor het verhogen van hun klimaatfinanciering te identificeren en in het algemeen de mobilisering en effectieve inzet in ontwikkelingslanden te verbeteren.

 

Een zichtbare en actieve Belgische delegatie…

België heeft zich tijdens deze onderhandelingen ver van afzijdig gehouden. Geleid door de Staatssecretaris Melchior Wathelet heeft de Belgische delegatie, samengesteld uit vertegenwoordigers van de federale en gewestelijke overheden, zich bijzonder geëngageerd en actief getoond.

Talrijke leden van de delegatie hebben ook een eersterangsrol gespeeld in de onderhandelingen, ofwel als Europese « issue leader » voor bepaalde essentiële thema’s zoals het vraagstuk van de surplus AAU’s, amendementen voor het Kyotoprotocol, de klimaatfinanciering, de « shared vision» enz, ofwel als facilitatorofwel als vice-voorzitter van één van de onderhandelingssporen (AWG-LCA).

De andere experten van de delegatie hebben - via hun diepgaand werk op een reeks dossiers - eveneens hun steentje bijgedragen, vooral door op een zeer voelbare manier op de Europese standpunten te wegen en zo bij te dragen tot de resultaten van deze conferentie. Deze opmerkelijke bijdrage werd trouwens gelauwerd door verschillende belangrijke actoren, zoals de Europese « chief-negotiators » of door vertegenwoordigers van de Belgische stakeholders (NGO’s, werkgevers en vakbonden) die in Doha aanwezig waren.

Daarnaast moeten we zeker ook de excellente samenwerking en de perfecte complementariteit tussen de vertegenwoordigers van de federale en gewestelijke vertegenwoordigers vermelden, en tussen de 3 ministers die in Doha aanwezig waren. Een voorbeeld dat navolging verdient op het vlak van het nationaal klimaatbeleid ?


Finaal bilan

Algemeen gesproken mag gesteld worden dat de uitkomst aanvaardbaar is, maar dat belangrijke politieke keuzes in verband met de ambitie op het vlak van uitstootreductie en de financiële ondersteuning van de ontwikkelingslanden opnieuw uitgesteld werden.

 

Meer info: