Tweede sessie van de klimaatonderhandelingen in Bangkok (30/8 – 5/9/2012)

De belangrijkste resultaten van de onderhandelingen worden opgesplitst volgens het Kyotospoor, het 'Durban Platform' en het Conventiespoor

Het Kyotospoor (AWG-KP)

In tegenstelling tot de vorige onderhandelingssessie in Bonn, werd deze laatste voorbereiding op de klimaatconferentie van Doha niet gekenmerkt door procedureslagen. Er werd integendeel constructief onderhandeld over concrete amendementen die te Doha moeten leiden tot een tweede verbintenisperiode van het Kyotoprotocol.

De grote uitdaging lag erin om overeenstemming te vinden over de aan te nemen amendementen (en onderliggende aanvullende beslissingen), en een oplossing te vinden voor Australië en Nieuw-Zeeland, die blijven dralen met het indienen van hun voorgestelde reductiedoelstellingen.

De belangrijkste op te lossen punten te Doha voor het Kyotospoor zijn de volgende:

  • De lengte van de tweede verbintenisperiode: op de coalitie van eilandstaten na, die pleit voor een periode van 5 jaar, is er een algemene voorkeur voor een periode voor 8 jaar.
  • Een tussentijdse herziening van het ambitieniveau: omdat in het geval van een 2de verbintenisperiode van 8 jaar het risico bestaat dat een laag ambitieniveau wordt vastgeklikt voor lange tijd, stelt de EU een review van het ambitieniveau halfweg deze 2de verbintenisperiode voor, en een vereenvoudigde procedure voor het unilateraal verhogen van de kwantitatieve doelstelling. Brazilië heeft hier een alternatief waarbij het mogelijk zou zijn dat partijen emissierechten annuleren.
  • De overtollige emissiekredieten uit de 1e verbintenisperiode (Assigned Amount Units) of ‘hot air’: Brazilië legde voor de G77 een nieuw voorstel op tafel dat de drie bestaande voorstellen (van Brazilië, de eilandstaten en Afrika) vervangt. Het nieuwe voorstel werkt met het principe van een volledige overdracht, maar het gebruik ervan zou enkel mogelijk zijn indien de kredieten nodig zijn voor “compliance” (dus geen handel). Het voorstel voorziet ook dat de overgedragen kredieten na de 2de verbintenisperiode geannuleerd worden en dat ze enkel gebruikt kunnen worden als de betrokken landen relatief ambitieuze klimaatdoelstellingen nastreven. Oekraïne en Rusland reageerden al negatief. Maar iedereen beseft dat dit voorstel redelijk is en grondig overwogen zal moeten worden.
  • De toegang tot de flexibiliteitsmechanismen (eligibility): deze discussie kan bijzonder moeilijk worden te Doha. Ze heeft drie dimensies:
    • Wie krijgt toegang ? De G77 wil Partijen die geen doelstelling inschrijven in een 2de verbintenisperiode straffen door hen de toegang tot deze mechanismen te ontzeggen. De EU wil hiermee Australië en Nieuw-Zeeland overhalen een reductiedoelstelling voorop te stellen. 
    • Waartoe toegang ? Voor zowel het Clean Development Mechanism (projecten in ontwikkelingslanden), de Joint Implementation (projecten in Annex B-landen) als de emissiehandel (overdracht van kredieten tussen emissielanden) zijn er aparte beslissingen nodig en gelden er andere argumenten.
    • Wanneer toegang ? De eilandstaten willen de toegang pas verlenen bij een volledige ratificatie of bij ‘provisional application’, maar botsen hier met alle kandidaten voor een 2de verbintenisperiode die de continuïteit van de mechanismen vanaf het begin (2013) willen verzekeren.
       

De sessie in Bangkok leidde tot een compilatiedocument waarin alle voorgestelde amendementen werden samengebracht. Kwestie voor Doha is dus om de politieke knopen door te hakken.

Te Bangkok werd ook ingegaan op de kaderbeslissing voor het Kyotospoor die te Doha genomen zal moeten worden. De belangrijkste kwestie hierbij is hoe om te gaan met de juridische tijdskloof die er zal bestaan tussen begin 2013 en de inwerkingtreding van de amendementen op het protocol.


Het ‘Durban Platform for Enhanced Action’ (ADP)

Al onmiddellijk zou te Bangkok blijken dat wat gevreesd werd, geen waarheid werd. De Indische en Noorse co-voorzitters van de onderhandelingen stelden een scenario voor waarbij de discussie over een concreet werkplan terzijde werd geschoven en er onmiddellijk van start zou gegaan worden met substantiële discussies over het toekomstig instrument en het ambitieniveau. De discussie over principes werd geïntegreerd in deze beide debatten.

Wat het ambitieniveau betreft, benadrukten zowat alle landen de drie mogelijke opties:

1. het verhogen van de ambitie van huidige pledges
2. het verruimen van het aantal landen met pledges
3. het zoeken naar complementaire benaderingen.

De G77-landen drukten hun duidelijke frustratie uit met de voorgenomen doelstellingen van ontwikkelde landen en hamerden erg op gemeenschappelijke maar gedifferentieerde verantwoordelijkheden en ‘equity’ als basis voor elk toekomstig regime.

De VS benadrukte voornamelijk “het contraproductief karakter” van de Kyoto-benadering (met een sterk reglementerend kader) en pleitte voor zo flexibel mogelijk systeem, met ruimte voor andere initiatieven.

De EU daarentegen vroeg een systematische aanpak met betrokkenheid van het politieke niveau, waarbij o.a. de bijkomende mogelijkheden inzake de uitstoot van luchtvaart en scheepvaart en het terugdringen van subsidies voor fossiele brandstoffen onder de loep zouden genomen worden.

Voor het toekomstig instrument verliep de discussie ook constructief maar toch was er ook een defensieve houding erg voelbaar:

  • India onderstreepte nogmaals de verschillende opties die genoemd worden in de Durban-tekst en gaf hierbij ook de interpretatie dat beslissingen van de COP het equivalent zijn van een "other instrument with legal force". Het bindende karakter van het instrument is volgens India gecorreleerd aan de oplossing die gevonden wordt voor het ‘equity’- vraagstuk.
  • De G77-landen onderstreepten over het algemeen de stelling dat het feit dat het toekomstig instrument onder de Conventie zal vallen, sowieso impliceert dat zijn principes van toepassing blijven.
  • De EU koos in dit debat voor een constructieve respons door te stellen dat de principes inderdaad van toepassing blijven, maar dat ze in hun dynamische context moeten gezien worden en er hierdoor sprake moet zijn van een spectrum aan verbintenissen (bindend voor iedereen, maar de aard van de verbintenissen zijn afhankelijk van de specifieke omstandigheden van elkeen).
  • Rusland koos wel voor een regelrechte aanval op de ‘firewall’ ten opzichte van de inspanningen van de ontwikkelde en de ontwikkelingslanden. Ook hier pleitte de VS voor flexibiliteit en realistische ambitieniveaus.

Zoals hoger vermeld werd een discussie over een werkplan vermeden. Filosofie hierachter was dat het beter was om een werkplan te laten ontstaan uit de substantiële discussie dan het openen van een procesdebat. Het gevolg is dat het nu aan beide co-voorzitters is om hun inzichten te presenteren over de organisatie van het werk te Doha en voor de jaren volgend op Doha.

Bangkok kan gekenmerkt worden als de plaats waar het Durban Platform zijn discussies over het toekomstig post 2020 instrument en over het verhogen van het ambitieniveau effectief van start gingen, maar waarbij deze discussie onvermijdelijk nog een vrij algemeen karakter had.


Het Conventiespoor (AWG-LCA)

Terwijl het Durban Platform een positieve algemene discussie kende en er onder het Kyotospoor een constructieve technische discussie plaatsvond, was de sfeer onder het Conventiespoor een pak negatiever. Durban besloot dat te Doha de succesvolle afronding van het Conventiespoor zal plaatsvinden hetgeen bij de verschillende groepen tot totaal verschillende attitudes leidt:

  • De landen van de Umbrellagroep (VS, Canada, Rusland, Australië, Nieuw-Zeeland,…) redeneren dat het feit dat Doha sowieso het Conventiespoor afsluit, betekent dat alle onderwerpen die nu te controversieel blijken (intellectuele eigendomsrechten, equity) terzijde moeten geschoven worden. Durban, zo redeneren zij, heeft voldoende instituties gecreëerd voor adaptatie, financiering en technologie waarin het werk kan voortgezet worden en politieke discussies krijgen ook onder het Durban Platform hun plaats.
  • Een nieuwe brede defensieve coalitie bestaande uit de opkomende economieën (de BASIC-landen), de Arabische landen, de Alba-landen en ook, verrassend, landen als DRC en de Filippijnen redeneert omgekeerd: Durban kan geen onderwerpen evacueren; het mandaat was om voor alle onderwerpen een succesvolle afronding te hebben, zoniet blijven de onderwerpen op de agenda staan. Deze landen willen via het Conventiespoor druk blijven ontwikkelen zodat onderwerpen als equity, het behoud van de tweedeling tussen Annex I (de ontwikkelde landen) en niet-Annex I (de ontwikkelingslanden) en lange termijnfinanciering voldoende hoog op de agenda blijven staan.
  • De EU en ook gematigde ontwikkelingslanden als Colombia redeneren anders: het feit dat het Conventiespoor afgesloten wordt is een logische transitie waarbij er moet voor gezorgd worden dat de niet gefinaliseerde onderwerpen hun plaats krijgen onder hetzij het Durban Platform, de technische subsidiaire organen of de organen voor adaptatie, financiering en technologie, zoals die in Durban gecreëerd zijn. Wel moet het Conventiespoor absoluut gesloten worden te Doha en kunnen niet alle controversiële onderwerpen zomaar worden doorgeschoven naar het Durban Platform.

Het gevolg van deze erg verschillende standpunten gaf een gepolariseerd en negatief Noord-Zuid-debat.

Het is hoe dan ook duidelijk dat de gepolariseerde discussie in het Conventiespoor een bemoeilijkende factor zal worden in de onderhandelingen voor het geheelpakket van Doha.

Meer info : sfeerbeelden en een uitgebreide rapportering in het Engels of het Frans.