Eerste sessie van de klimaatonderhandelingen in Bonn (14-25/5/2012)

Op 14 mei werd in Bonn (Duitsland) de draad van de internationale klimaatonderhandelingen weer opgenomen in een UNFCCC- onderhandelingssessie, die twee weken duurde en afliep op 25 mei. Zoals meestal na een geslaagde klimaatconferentie (Durban, december 2011) verliep deze heropstart eerder moeizaam en werd het geen onverdeeld succes over heel de lijn. Waar belangrijke vooruitgang geboekt werd in een aantal technische domeinen, verliepen de politiek gevoelige discussies onder het ‘Durban Platform’ eerder moeilijk.

In 2012 is de onderhandelingsstructuur onder het Klimaatverdrag zeer complex, met parallel lopende onderhandelingen in 5 onderhandelingssporen :

  • ADP (Ad Hoc Working Group Durban Platform): werd eind 2011 in Durban (Zuid-Afrika) opgericht met de dubbele opdracht om tegen 2015 een nieuw wettelijk instrument (met een inwerkingtreding tegen 2020) te onderhandelen en om het ambitieniveau ook al in de periode vóór 2020 op te krikken.
  • AWG-LCA (Ad Hoc Working Group Long Term Cooperative Action – een hulporgaan gericht op de implementatie van het Klimaatverdrag op langere termijn): kreeg een mandaat om enkele specifieke taken in de context van het Bali Action Plan af te ronden, waarna de AWG-LCA ook kan opgeheven worden.
  • AWG-KP (Ad Hoc Working Group Kyoto Protocol – een hulporgaan waarin de toekomstige engagementen van de partijen van het Kyoto protocol besproken worden): moet eind 2012 een aantal belangrijke knopen doorhakken, zodat in 2013 de tweede verbintenissenperiode onder het Kyoto Protocol een aanvang kan nemen, waarna de AWG-KP opgeheven zal worden.
  • SBI (Subsidiary Body for Implementation - een hulporgaan gericht op uitvoering) en SBSTA 

    (Subsidiary Body for Technological and Scientific Advice – een hulporgaan gericht op wetenschappelijk en technisch advies): kregen naast hun vaste taak de opdracht om verdere uitvoering te geven aan een aantal politieke afspraken, die in Durban gemaakt zijn.


Een moeizame start van de ADP-werkgroep…

Gezien het de eerste vergadering was van deze belangrijke ADP-werkgroep, moesten afspraken gemaakt worden over:

Het voorzitterschap:

Waar het de gewoonte is dat ontwikkelingslanden en ontwikkelde landen voor het voorzitterschap elk een kandidaat aanduiden, die elkaar afwisselen als voorzitter en vice-voorzitter, konden de ontwikkelingslanden deze keer geen akkoord bereiken over één kandidaat. De Aziatische groep schoof met een Indische kandidaat een vertegenwoordiger van de groeilanden naar voor, terwijl de Latijns-Amerikaanse groep een kandidaat-voorzitter van de kleine eilandstaat Trinidad en Tobago afvaardigde.

Na intense informele onderhandelingen werd dan toch een akkoord bereikt dat zal gelden tot 2015,waarin beide kandidaten een rol zullen krijgen, maar waarin ook ruimte wordt gecreëerd voor de Afrikaanse groep, telkens in co-voorzitterschap met iemand uit een industrieland. Hierdoor werd op de valreep een stemming, ongezien in de context van de internationale klimaatonderhandelingen, vermeden.

De agenda:

Een ander heikel punt was de vertaling van de ietwat ambigue beslissingstekst, waarover gedurende de laatste nacht in Durban een akkoord bereikt werd, in een ondubbelzinnige en werkbare agenda. Vermits de klassieke ‘fire-wall’ (scheidingsmuur) tussen ontwikkelde en ontwikkelingslanden in de tekst van het Durban Platform niet langer vermeld wordt, hadden een aantal ontwikkelingslanden er alle belang bij om zoveel mogelijk elementen van het Bali Action Plan (waar de ‘fire-wall’ wel is ingebed) over te dragen naar de ADP, en stonden ze er tegelijkertijd zeer weigerachtig tegenover om in deze nieuwe context besprekingen te houden over het optrekken van het ambitieniveau.

Ook hier werd uiteindelijk een akkoord bereikt over een agenda, waarin de geest van de Durban-akkoorden behouden blijft, en twee gescheiden onderhandelingen worden opgestart. De discussie over het opkrikken van het ambitieniveau kende een goede start met een interessante workshop over het thema.

… met repercussies op de AWG-LCA-werkgroep

La discussion procédurière sous l’ADP s’est inévitablement répercutée sur le fonctionnement de l’AWG-LCA, où le Plan d’action de Bali constitue la base des négociations. Les pays développés ont choisi d’axer les négociations sur les tâches spécifiques mandatées par Durban, après quoi l’AWG-LCA pourra cesser d’exister. Les pays en développement étaient partisans d’examiner soigneusement quels aspects du Plan d’action de Bali n’ont éventuellement pas pu être achevés et nécessitent encore du travail – même après 2012.

De proceduriële discussie onder de ADP had onvermijdelijk een weerslag op de werking van de AWG-LCA, waar het Bali Action Plan de basis voor de onderhandelingen vormt. De ontwikkelde landen verkiezen de onderhandelingen te focussen op de specifieke taken gemandateerd door Durban, waarna de AWG-LCA kan afgesloten worden. De ontwikkelingslanden waren er voorstander van om grondig te onderzoeken welke aspecten van het Bali Action Plan mogelijk niet volledig afgerond waren en verder werk - mogelijk ook na 2012 - vereisen.

Uiteindelijk werden alle thema’s (gedeelde visie, uitstootvermindering, aanpassing aan klimaatverandering, technologische en financiële ondersteuning) uit het Bali Action Plan behandeld in verschillende onderhandelingssettings. Er werden ook verschillende workshops georganiseerd over onder meer ‘de vermindering van de uitstoot in ontwikkelde landen en ontwikkelingslanden, nieuwe marktmechanismen en ‘equity’. Met de organisatie van deze workshop werd de discussie over de principes die ten grondslag moeten liggen aan de rechtvaardige verdeling van de lusten en lasten, eindelijk opgestart.

Belangrijke knelpunten…

Alvorens een tweede verbintenisperiode onder het Kyoto Protocol begin 2013 van start kan gaan, moet het antwoord op enkele belangrijke vragen gevonden worden:

  • Wie stapt mee in een tweede verbintenisperiode? Naast de VS, die in de huidige eerste verbintenisperiode al niet meedoen, en Canada dat aangegeven heeft niet langer Partij van het Kyoto Protocol te zullen zijn, zullen Japan (met grote zekerheid) en Rusland, Australië en Nieuw Zeeland (met een zekere waarschijnlijkheid) geen doelstelling meer opnemen onder de tweede verbintenisperiode van het Kyoto Protocol. De EU en enkele andere Europese landen zijn wel van de partij en stellen zo het behoud van het regelgevend kader van het Kyoto Protocol veilig voor de toekomst.
  • De precieze berekening, maar vooral ook het ambitieniveau van de QELRO-doelstelling (Quantified Emission Limitation/Reduction Objective): Voor de EU is de reductiedoelstelling nog steeds -20% in 2020 t.o.v. 1990, met een opstap naar -30% als bepaalde voorwaarden vervuld zijn. De ontwikkelingslanden, met de minst ontwikkelde landen en de kleine eilandstaten voorop, zetten de EU onder druk om de 30% doelstelling in te schrijven in het Kyoto Protocol.
  • Een verbintenisperiode van 5 jaar of van 8 jaar? De ontwikkelde landen zijn voorstander van een 8-jarige verbintenisperiode, omdat dit wellicht een vlottere aansluiting met het nieuwe post-2020 instrument kan mogelijk maken. De ontwikkelingslanden verkiezen een 5-jarige omdat ze vrezen dat anders een laag ambitieniveau voor 8 jaar vastgeklikt wordt.
  • De overdracht van “surplus AAU”-emissierechten: de ‘hete lucht’ (een bijnaam voor de grote aantallen emissierechten toegekend aan de vroegere Oostbloklanden die sinds de val van het IJzeren Gordijn hun installaties gemoderniseerd of gesloten hebben, waardoor deze rechten als een ‘overschot’ op de koolstofmarkt verhandeld kunnen worden) kan een enorme impact hebben op het ambitieniveau van de doelstellingen. Het is uiterst belangrijk dat hiervoor een oplossing gevonden wordt.

Over al deze knelpunten werden voorstellen gedaan en werden de standpunten toegelicht in een constructieve sfeer. Dit moet toelaten dat deze knopen tijdens de volgende klimaattop - eind dit jaar in Doha (Qatar) - worden doorgehakt. Een verder element dat tijdens de conferentie van Doha zal moeten worden uitgeklaard, is de vraag of Kyotopartijen die in de tweede periode geen verbintenissen op zich nemen, toegang kunnen krijgen tot de flexibiliteitsmechanismen.

… maar ook vooruitgang

In Durban werden heel wat belangrijke technische taken aan de hulporganen SBI en SBSTA gedelegeerd. Meer bepaald kan in deze context de goede vooruitgang worden genoemd inzake een aantal onderwerpen, die in de aanloop naar Cancún en Durban uiterst gevoelig lagen, onder de vorm van conclusies en/of ontwerp-beslissingen.

Belangrijke voorbeelden voor de SBI zijn :

  • De richtlijnen voor rapportering van gegevens door industrielanden én door ontwikkelingslanden, in de context van de zgn. Nationale Mededelingen, en de tweejaarlijkse rapporten en het register voor mitigatie-acties van ontwikkelingslanden
  • Het proces inzake de voorbereiding van Nationale Adaptatieplannen voor ontwikkelingslanden
  • Het werkprogramma inzake ‘schade en verlies’ (‘loss and damage’) 
  • Het proces voor de aanstelling van het Climate Technology Center en zijn netwerk van regionale centra
  • De review van het Adaptation Fund 


In de SBSTA werd in een constructieve sfeer gestart met:

  • De herziening van de in 2001 aangenomen Marrakesh Akkoorden met het oog op hun aanpassing aan de tweede verbintenisperiode van het Kyoto Protocol; deze akkoorden bevatten de regels voor de uitvoering van het Protocol van Kyoto. Er mag verwacht worden dat dit werk tegen Doha kan leiden tot een aan de post-2012-periode aangepast rulebook.
  • Verkennende gesprekken over de rol van de landbouwsector voor het klimaatbeleid en werden methodologische richtlijnen voor de aanpak van de ontbossing in de tropen (REDD+) verfijnd.

Deze eerste sessie na de klimaattop van Durban heeft nog maar eens duidelijk gemaakt dat de multilaterale aanpak van de klimaatverandering moeilijk maar haalbaar is. Het wegvallen van de ‘firewall’ in het Durban Platform zorgt voor heel wat onzekerheid bij veel ontwikkelingslanden. Het is nu aan de ontwikkelde landen om duidelijk te maken dat de bedoeling hiervan niet is om alle landen zonder meer over dezelfde kam te scheren, maar integendeel om ervoor te zorgen dat alle landen een faire bijdrage leveren in lijn met de richtinggevende principes van het Klimaatverdrag, om zo de meest kwetsbare landen voor gevaarlijke klimaatverandering te behoeden.

Meer info :