logocop18_-_Doha.jpglogocop19_-_Warsaw.jpg Klimaatonderhandelingen in 2013

Van Doha tot Warschau

 


Iets minder dan zes maanden na de klimaatconferentie (COP18) van Doha (Qatar) vonden op korte tijd (in mei en juni 2013) twee topbijeenkomsten plaats in Bonn. De partijen bij het klimaatverdrag (UNFCCC) kregen er de kans om zich weer aan het werk te zetten en de grondslagen te leggen voor het toekomstige wereldwijde klimaatverdrag dat in 2015 ondertekend zal moeten worden.

 

1e sessie van de klimaatonderhandelingen (Bonn, 29/4 – 3/5)

De 1e zitting van de Ad Hoc Working Group on the Durban Platform for Enhanced Action (ADP) vormde de eerste stap in de richting van het globaal, juridisch bindend verdrag dat in 2015 ondertekend moet worden. Ter gelegenheid van deze zitting, die globaal als constructief werd bestempeld, slaagde de EU erin om het concept van « Spectrum van verbintenissen », waardoor alle landen dwingende verplichtingen zouden hebben op basis van hun respectieve vermogen, in het centrum van de debatten te plaatsen. De kleine eilandstaten van hun kant namen het voortouw in de discussie over de verbintenissen vóór 2020, door een road map voor energie-efficiëntie en hernieuwbare energie voor te stellen.

 


 

2e sessie van de klimaatonderhandelingen (Bonn, 3/6 – 14/6)

De 38e zitting van de steunorganen van de UNFCCC (SBSTA/SBI) en de 2e zitting van de Ad Hoc Working Group on the Durban Platform for Enhanced Action (ADP) leverden op sommige vlakken mooie resultaten op, maar waren op andere vlakken veel minder succesvol.


 

Resultaat van de gesprekken binnen de ADP

Workstream 1: het toekomstige verdrag

De EU verdedigde verder haar voorstel over het « Spectrum van verbintenissen », dat verschillende stappen omvat en ervoor moet zorgen dat alle partijen zich verbinden tot het nastreven van gedifferentieerde doelstellingen rond het terugdringen van de uitstoot, met de bedoeling de wereldwijde klimaatopwarming te beperken tot maximaal 2°C in vergelijking met de pre-industriële periode, door zich te baseren op de principes van UNFCCC zoals rechtvaardigheid en gemeenschappelijke, maar gedifferentieerde verantwoordelijkheid.

Het voorstel voorziet in de volgende stappen:

  • de opstelling van een typologie van verbintenissen (bv. reductiedoelstellingen in absolute termen, sector- of energie-efficiëntiedoelstellingen, enz.), maar ook gemeenschappelijke methoden van kwantificering om de geleverde inspanningen transparant te maken en te kunnen vergelijken;
  • de formulering (vóór het akkoord van 2015), door de landen zelf, van hun doelstellingen binnen het kader dat in de eerste fase is uitgetekend;
  • de vergelijking van de doelstellingen met het oog op het bereiken van de 2°C-doelstelling, met behulp van indicatoren die tijdens de eerste fase zijn vastgelegd;
  • het inschrijven van deze doelstellingen in het wereldwijde verdrag, waarbij de EU voorstelt om er een vereenvoudigd ‘ambitiemechanisme’ in op te nemen dat de Partijen in staat stelt om hun streefniveaus gemakkelijker op te trekken.

Dit voorstel werd op constructieve wijze besproken, hoewel verschillende landen opmerkten dat het bepalen van doelstellingen inzake vermindering voorbehouden moet blijven aan de nationale instanties (en niet noodzakelijk moet worden besproken in het kader van het internationale verdrag).

Het voorstel van de EU is zo opgebouwd dat zowel de ontwikkelingslanden als de industrielanden op dwingende wijze gebonden kunnen worden. Dit leidt tot het opheffen van de « Firewall » tussen industrie- en ontwikkelingslanden, zoals die is vastgelegd in de bijlagen van de Overeenkomst, en heeft twijfel gezaaid bij heel wat ontwikkelingslanden, die stellen dat zij vasthouden aan de beginselen van « gemeenschappelijke, maar gedifferentieerde verantwoordelijkheid » en « rechtvaardigheid ».

De kwestie van het leiderschap van de ontwikkelde landen was ook een van de sterke argumenten van de ontwikkelingslanden, die tijdens de hele zitting benadrukten dat de Partijen bij het Kyoto Protocol « het amendement van Doha » zo snel mogelijk moeten bekrachtigen opdat het in werking zou kunnen treden.


Workstream 2: het optrekken van de ambities vóór 2020

Op deze zitting werd onmiddellijk de toon gezet door J. Alcamo, wetenschappelijk hoofd van het Milieuprogramma van de Verenigde Naties (UNEP), die de resultaten kwam voorstellen van het in 2012 verschenen « UNEP Gap Report ». Hij herhaalde dat op basis van de huidige evolutie van de wereldwijde uitstoot en de bestaande verbintenissen rond uitstootvermindering van de verschillende partijen, een enorme « emission gap » (emissiekloof) zou leiden tot een stijging van de temperatuur op aarde tussen 3 en 4° Celsius. Hij onderstreepte wel dat het technisch nog mogelijk was om onder de grens van 2°C te blijven.

Hij werd bijgetreden door het Internationale Energieagentschap (IEA), dat de voorstelling van zijn nieuwe rapport « Redrawing the Energy-Climate Map » aangreep om te beklemtonen dat we bij een ongewijzigd beleid op termijn afstevenen op een wereldwijde temperatuurstijging tussen 3,6 en 5,3°C. Het IEA pleit voor vier reeksen van maatregelen.

Vervolgens was het, net als de EU in verband met het toekomstige wereldwijde verdrag, de Organisatie van kleine eilandstaten (AOSIS) die snel de gesprekken domineerde over het optrekken van het ambitieniveau. Het voorstel van AOSIS had als doel een technisch en vervolgens politiek proces te lanceren met het oog op de goedkeuring van concrete maatregelen ter verhoging van de energie-efficiëntie, het gebruik van hernieuwbare energie en CO2-afvang en -opslag (Carbon Capture and Storage, CCS).

De EU nam de gelegenheid ook te baat om een beslissing van UNFCCC voor te stellen die de Partijen aanzet tot het goedkeuren, in het kader van het Protocol van Montréal, van maatregelen met het oog op een geleidelijke uitstap uit de productie van fluorkoolwaterstoffen (HFK’s), superbroeikasgassen die gezien hun aanhoudende groei tegen 2050 tot 20% van de broeikasgassen zouden kunnen vertegenwoordigen. Dit voorstel kreeg veel media-aandacht en steun, maar stuitte ook op het verzet van landen als India, China en de ALBA-landen.

Het belangrijkste resultaat slaat op een herhaalde vraag van de minst gevorderde landen om een belangrijkere rol toe te kennen aan de aanpassing binnen Workstream 2 van de ADP. Deze vraag werd weerspiegeld in de besluiten van de zitting, en er zal een technisch document over de kosten en de relevantie van de aanpassingsmaatregelen worden voorbereid voor COP19 van Warschau, bovenop het document over de mogelijkheden van vermindering.

 


 

SBI slachtoffer van onenigheid over de agenda, terwijl SBSTA vooruitgang boekt

De mogelijke vorderingen van de Subsidiary Body for Implementation (SBI) werden snel tenietgedaan na een voorstel van Rusland om een nieuw punt op de agenda te zetten, dat betrekking had op de regels van het beslissingsproces binnen de COP. Dit voorstel valt te verklaren door het ongenoegen van Rusland, Wit-Rusland en Oekraïne over de besluitvorming tijdens de klimaatconferentie van Doha, waar het definitieve akkoord ondanks het felle verzet van Rusland was goedgekeurd. De overige Partijen erkenden het belang van dit probleem, maar verzetten zich tegen de toevoeging ervan aan de agenda van de SBI, wat voor de drie betrokken landen onaanvaardbaar was.

Na 2 weken was nog geen oplossing gevonden en de partijen waren, tot ieders ontgoocheling en bezorgdheid, niet in staat om het verwachte inhoudelijke werk te leveren: het debat over de klimaatfinanciering voor de meest kwetsbare landen, evenals het mechanisme van « verlies en schade » (loss and damage), dat de onvermijdelijke en resterende gevolgen van de klimaatverandering moet opvangen.

De problemen binnen de SBI zetten echter geen rem op de vooruitgang binnen de Subsidiary Body on Scientific and Technological Advice (SBSTA). Deze instantie voerde productieve technische gesprekken over onder meer:

  • de vermindering van de uitstoot als gevolg van de ontbossing en de achteruitgang van de bossen in de ontwikkelingslanden
  • de rol van de landbouw in de strijd tegen de klimaatverandering
  • de richtlijnen over de rapportering.

Conclusies

Wat de ADP betreft, vormden de eerste 2 overlegzittingen de eerste fase van een driejarige cyclus die tegen 2015 zou moeten leiden tot een wereldwijd, juridisch bindend verdrag. De gesprekken namen vooral de vorm aan van workshops en rondetafels en hadden als doel punten van overeenkomst te vinden rond de verschillende overlegthema’s.

Terwijl sommige Partijen het voortouw trachtten te nemen door concrete voorstellen op tafel te leggen, namen andere een defensieve houding aan, wat de gesprekken vertraagde. Deze langzame vooruitgang speelt niet in de kaart van het voorstel van de EU, dat vereist dat voldoende ruimte wordt gelaten aan de gesprekken om de toekomstige verbintenissen van de Partijen concreet te bepalen.

We mogen echter hopen dat de klimaatconferentie van Warschau, die plaatsvindt van 11 tot 22 november 2013, in een hogere versnelling zal schakelen.


Nuttige linkIISD Reporting Services