De klimaattop in Warschau heeft de bakens uitgezet voor de verdere onderhandeling van een globaal akkoord in 2015 in Parijs

COP_Varsovie-1-web.jpg

 De 19e klimaatconferentie  van de Partijen van het VN-Klimaatverdrag (COP.19) in Warschau heeft op zaterdag 25 november geleid tot een aantal beslissingen die de bakens uitzetten voor een parcours dat moet gevolgd worden om tot een mondiaal akkoord te komen tijdens de COP.21 in Parijs in 2015, en tot een vooruitgang op het vlak van de financiële ondersteuning van de internationale strijd tegen de klimaatverandering.

Deze beslissingen zijn uiteindelijk genomen na een finale marathonzitting van meer dan 24u, waarbij alle betrokken partijen compromissen hebben moeten sluiten. Deze beslissingen nemen niet weg dat er nog veel werk voor de boeg ligt vooraleer tot een akkoord in 2015 gekomen kan worden, maar ze laten wel toe om het onderhandelingsproces op de rails te houden en schetsen het kader van het werk voor de komende twee jaar.

Op 3 belangrijke werkterreinen werden in Warschau beslissingen genomen:

  • de voorbereiding van een post-2020-akkoord en de versterking van het ambitieniveau
  • de internationale financiële ondersteuning 
  • de invoering van een internationaal mechanisme voor «schade en verliezen» (loss and damage)

Ook op de volgende terreinen werden belangrijke ontwikkelingen plaatsgevonden:

  • de concretisering van een ‘REDD+’-mechanisme onder het Klimaatverdrag 
  • de discussies rond de koolstofmarkten
  • de ratificatie van de tweede verbintenisperiode van het Protocol van Kyoto
  • het MRV-systeem (Measuring, Reporting and Verification)


1. De voorbereiding van een post-2020-akkoord en de versterking van het ambitieniveau

Er werd een overeenkomst bereikt over de verderzetting van de werkzaamheden van de ‘Ad Hoc Working Group on the Durban Platform for Enhanced Action’ (ADP), die een tweevoudige doelstelling hebben:

  • de goedkeuring in 2015 in Parijs van een protocol (of een ander juridisch instrument) dat toepasselijk is op alle Partijen en geldig is vanaf 2020
  • een verhoging van het ambitieniveau van de matigingsinspanningen vóór 2020

Alhoewel de Europese Unie er niet in geslaagd is te komen tot een volledige integratie van haar voorstel voor een procedure in stappen, die een evaluatie voorziet van het niveau van deze bijdragen (om na te gaan of ze in overeenstemming zijn met de doelstelling om de globale opwarming beneden  de drempel van 2°C te houden),  voorziet het finaal akkoord toch een kalender voor het proces dat binnen de twee jaar tot een globaal bindend klimaatakkoord moet leiden.

Volgens deze kalender moeten de Partijen zo vroeg mogelijk in 2015 meedelen wat hun bijdrage zal zijn tot de matigingsinspanning. Het akkoord voorziet vanaf 2014 ook de uitwerking van elementen voor het akkoord van 2015: een eerste ontwerp zou besproken moeten worden tijdens de COP.20 in Lima in december 2014.

De discussie rond het ambitieniveau van de matigingsinspanningen vóór 2020 kende een moeilijke start nadat Japan aankondigde zijn doelstelling voor 2020 af te zwakken, maar toch heeft een voorstel van de Alliantie van kleine eilandstaten (AOSIS) het mogelijk gemaakt deze discussies opnieuw op de sporen te zetten door te pleiten voor een intensivering van de samenwerking tussen de Partijen en voor een technische evaluatie van de mogelijke acties met een verhoogd matigingspotentieel.

Bovendien werd een beslissing van 2012, die voorzag dat de industrielanden die al reductiedoelstellingen  onder het Kyotoprotocol hadden, deze doelstellingen in de loop van 2014 moesten herzien om ze te versterken, uitgebreid:  de top in Warschau heeft immers besloten dat dit ambitiemechanisme ook moet toegepast worden op landen zonder Kyoto-doelstellingen, zoals de VS en Japan.

De Secretaris-generaal van de VN, Ban Ki-Moon, heeft in Warschau zijn uitnodiging aan de regeringen en andere leiders herhaald om deel te nemen aan een klimaattop in New-York in september 2014, die moet toelaten om de mobilisatie van de leiders voor het bereiken van een globaal akkoord in 2015 te versterken.

Deze top zal voorafgegaan worden door een reeks ministeriële vergaderingen op hoog niveau, die zouden moeten toelaten om de contouren van het toekomstig klimaatakkoord vanaf 2014 te preciseren. Het is belangrijk hierbij te melden dat de Europese Raad zich in maart 2014 zal buigen over de Europese klimaat- en energiedoelstellingen tegen 2030.


2. De internationale financiële ondersteuning

De discussies over de internationale klimaatfinanciering zijn zeer intens en gepolariseerd geweest. De resultaten die de top op dit vlak bereikte, beantwoorden niet aan de verwachtingen van de ontwikkelingslanden, die gehoopt hadden op concrete beslissingen voor de realisatie van de mobilisatiedoelstelling van 100 miljard US-dollars tegen 2020 (met inbegrip van het vastleggen van berekende tussentijdse doelstellingen) en op een kapitalisatie van het groen Klimaatfonds.

Uiteindelijk kon er een minimaal akkoord bereikt worden: de ontwikkelde landen werden opgeroepen zonder verwijl “ambitieuze” bijdragen aan het Groen Fonds te leveren en hun financieringsniveau op te trekken vanop het niveau van de “Fast-start Finance”, in overeenstemming met de doelstelling van 100 miljard in 2020.

Maar ondanks de vraag naar een tussentijdse doelstelling van 70 miljard US-dollar tegen 2016 werd er geen enkele stap vastgelegd voor een tussentijdse mobilisatie voor de internationale klimaatfinanciering. De ontwikkelde landen zullen wel alle twee jaar (vanaf 2014 en tot 2020) hun strategie voor de verhoging van hun bijdrage aan de internationale klimaatfinanciering moeten meedelen. Deze strategieën zullen vervolgens besproken en geëvalueerd worden tijdens tweejaarlijkse ministeriële vergaderingen over de klimaatfinanciering die hiervoor voorzien zijn, wat moet toelaten beter te begrijpen hoe de ontwikkelede landen hun engagementen willen respecteren.

Een aantal ontwikkelde landen (Noorwegen, het Verenigd Koninkrijk, de Europese Unie, de VS, de Republiek van Korea, Japan, Zweden, Duitsland en Finland) hebben tijdens deze COP nieuwe overheidsbijdragen voor klimaatfinanciering aangekondigd.

Een andere vooruitgang werd geboekt doordat verschillende Europese landen aangekondigd hebben te zullen bijdragen aan het Adaptatiefonds met meer dan 100 miljoen US-dollars in  2013 om het mogelijk te maken de financiering van projecten op te starten in afwachting van financiële steun. België zegde hiervoor 3,25 miljoen euro toe.


3. De invoering van een internationaal mechanisme voor ‘schade en verliezen’ (‘Loss and Damage’)

Een “internationaal mechanisme voor schade en verliezen ten gevolge van klimaatverandering” werd in Warschau uitgewerkt. Deze beslissing beantwoordt aan een oude vraag van de landen die het meest kwetsbaar zijn voor klimaatverandering en stipuleert dat dit mechanisme vooral de uitwerking van verschillende benaderingen voor het behandelen van deze schade en verliezen moet bevorderen, vooral op het vlak van het risicobeheer.

De activiteiten die in een eerste fase voorzien zijn, zullen vooral focussen op het verzamelen van gegevens en informatie, de uitwisseling van ervaringen en van goede praktijken, het zoeken van samenhang en synergieën met de bestaande initiatieven, en willen ook de activiteiten voor de mobilisatie van financiering, technologie en capaciteitsopbouw ondersteunen. Dit mechanisme is verankerd in het “kader voor adaptatie van Cancún”, dat eerder uitgewerkt werd in de context van het Klimaatverdrag.


4. De concretisering van een ‘REDD+’-mechanisme

Acht jaar na de uitwerking van zijn oorspronkelijk concept werd het ‘REDD+’-mechanisme onder het Klimaatverdrag geconcretiseerd.  Deze vooruitgang werd mogelijk gemaakt dankzij een akkoord over de laatste basisregels onder de vorm van 7 beslissingen die tijdens deze COP genomen zijn. Een zeer mooie prestatie ! Deze beslissingen maken een basishandleiding voor REDD+ mogelijk  en vertegenwoordigen een belangrijk precedent, dat een positieve impact kan hebben op  andere onderwerpen die ter discussie staan. De kwantiteit en kwaliteit van deze beslissingen geven ook een belangrijk signaal aan de buitenwereld, waarvan de ‘REDD+’-initiatieven zonder enige twijfel zullen profiteren.


5. De discussies rond de koolstofmarkten

In Warschau wenste de EU verder te werken aan de regels voor de functionering van de marktmechanismen, wat zou toelaten te waken over hun integriteit en duurzaamheid. Deze vooruitgang werd geblokt door de vragen van ontwikkelingslanden, die het belang benadrukten om eerst een vraag te creëren voor nieuwe koolstofkredieten via een grotere ambitie. Er werd wel vooruitgang geboekt op het vlak van de bestaande marktmechanismen (JI en CDM), waar beslissingen genomen werden om hen meer additioneel en duurzaam te maken, en tegelijk de geografische verdeling en de raadpleging van de lokale bevolking te verbeteren.


6. De ratificatie van de tweede verbintenisperiode van het Protocol van Kyoto

Voor de ontwikkelingslanden is de ratificatie van de tweede verbintenisperiode van het Protocol van Kyoto door de landen van Bijlage I een sleutelelement voor het afsluiten van een globaal akkoord in 2015. De klimaattop heeft toegelaten de essentiële regels voor de realisatie van dit engagement op zo’n manier uit te werken dat ze in Lima in 2014 gefinaliseerd kunnen worden.


7. Het MRV-systeem (Measuring, Reporting and Verification)

De beslissingen die tijdens de top in Warschau genomen werden laten toe het MRV-systeem van het post-2012-klimaatbeleid te operationaliseren, na jaren van moeilijke discussies. Dit systeem biedt een kader om enerzijds de vooruitgang van de ontwikkelde landen op het vlak van hun gekwantificeerde doelstellingen na te gaan, en anderzijds de transparantie van de matigingsacties en van hun effecten in de ontwikkelingslanden verzekeren.

 


De Belgische delegatie

Zoals gewoonlijk werd de officiële Belgische delegatie, samengesteld uit vertegenwoordigers van de federale staat en van de gewesten, geleid door de federale Dienst Klimaatverandering. Staatssecretaris Wathelet, de Waalse minister Philippe Henry en de Vlaamse minister Joke Schauvliege hebben de delegatie vervoegd tijdens ‘het ministerieel segment’. De vertegenwoordigers van diverse organisaties (werkgevers, vakbonden, milieuorganisaties, Noord-Zuid-organisaties, jongerenorganisaties) waren eveneens aanwezig in de delegatie. De samenwerking tussen de experten van de Belgische delegatie (met vele jaren ervaring op de teller) was opnieuw heel efficiënt en heeft ons land toegelaten een actieve deelname in deze onderhandelingen te verzekeren.


Voor meer informatie :

-          http://unfccc.int/2860.php#decisions

-          http://www.iisd.ca/vol12/enb12594e.html

-          Toespraak van Staatssecretaris Wathelet tijdens het ‘High-level Segment’