Flexibiliteitsmechanismen: emissiehandel en JI/CDM

De marktgerichte mechanismen (flexibiliteitsmechanismen genaamd) kunnen een belangrijke rol spelen in de wereldwijde inspanning om de klimaatverandering tegen te gaan. In het kader van het Kyoto-protocol werden 3 verschillende flexibiliteitsmechanismen gecreëerd die industrielanden kunnen helpen om hun Kyotodoelstellingen te realiseren:

  • Het internationaal systeem van emissiehandel biedt landen met een Kyotodoelstelling (Partijen) de mogelijkheid om een deel van hun « toegewezen emissierechten » (« assigned amount units ») onder elkaar te verhandelen. Een Partij die meer reduceerde dan voorzien kan dit overschot verkopen. Partijen die meer uitstoten dan hun onderhandeld aandeel, omdat hun nationale inspanningen niet volstaan, kunnen rechten aankopen.
  • Het mechanisme voor gezamenlijke uitvoering ‘Joint Implementation’ (JI) biedt landen met een Kyotodoelstelling de mogelijkheid om koolstofkredieten te kopen uit projecten in andere landen met een Kyotodoelstelling.
  • Het mechanisme voor schone ontwikkeling ‘Clean Development Mechanism’ (CDM) biedt de mogelijkheid om emissiereducerende projecten op te zetten die bijdragen aan de duurzame ontwikkeling in ontwikkelingslanden, waarbij « gecertificeerde emissiereducties » worden gegenereerd die kunnen worden gekocht door landen met een Kyotodoelstelling.

Doelstellingen van deze marktmechanismen

Deze marktmechanismen zijn bedoeld om de geïndustrialiseerde landen (Partijen van bijlage I, dit zijn de landen met een Kyotodoelstelling) te helpen om hun emissiereductiedoelstelling na te komen door de aankoop van emissiekredieten of koolstofkredieten. Elk koolstofkrediet is equivalent aan de reductie van 1 ton CO2. De prijs voor deze kredieten is doorgaans lager dan de kostprijs voor de realisatie van emissiereducties in eigen land. Ze zijn tevens bedoeld om de privésector aan te moedigen om mee te werken aan de reductie-inspanningen, om de deelname van de ontwikkelingslanden te vergemakkelijken en om de duurzame ontwikkeling, de overdracht van technologieën en de investeringen in die landen te stimuleren.

Er zijn enkele belangrijke verschillen tussen deze 3 flexibiliteitsmechanismen:

Op het vlak van de betrokken Partijen: 

  • De emissiehandel en de Gezamenlijke uitvoering (JI) zijn twee mechanismen die uitwisselingen van emissierechten tussen industrielanden (Bijlage 1-landen) onderling regelen, waardoor de totale toegewezen hoeveelheid niet wijzigt. 
  • Het Mechanisme voor schone ontwikkeling (CDM) daarentegen regelt een transfer van emissierechten van een ontwikkelingsland naar een industrieland, waarbij in dat ontwikkelingsland bijkomende emissierechten worden gecreëerd, en de totale toegewezen hoeveelheid wereldwijd toeneemt. Dit mechanisme zet ontwikkelingslanden dus aan tot emissiereducties zonder dat ze daar eigenlijk toe verplicht zijn.

Op het vlak van de methode:

De Gezamenlijke uitvoering (JI) en het Mechanisme voor schone ontwikkeling (CDM) zijn twee “projectgebonden” mechanismen. De emissierechten die ze genereren zijn immers afkomstig van projecten die lokaal een reductie van de uitstoot van broeikasgassen tewerkstellen. De hierdoor vermeden uitstoot van broeikasgassen (in vergelijking met een vooraf vastgesteld referentieniveau) geeft recht op een aantal emissierechten die overgedragen kunnen worden aan een andere Partij.

 

Er zijn wel enkele voorwaarden verbonden aan het gebruik van deze flexibiliteitsmechanismen:

  • de betrokken landen moeten het Protocol van Kyoto geratificeerd hebben
  • ze moeten aan al hun rapporteringsverplichtingen voldaan hebben
  • ze moeten over een nationaal register beschikken waarin alle transacties van emissierechten geregistreerd worden

Bovendien geldt het “supplementariteitsbeginsel”: de flexibiliteitsmechanismen mogen slechts gebruikt worden “ter aanvulling” van het eigen binnenlands beleid. Er is echter nooit een overeenstemming bereikt over de juiste verhoudingen tussen de “interne” reductiemaatregelen en de “externe” verhandeling van emissierechten.

De emissiedoelstellingen uit het Protocol kennen aan elke Partij een bepaald quotum toe, een vaste hoeveelheid broeikasgassen die het land in kwestie gemiddeld jaarlijks mag uitstoten in de periode 2008-2012.

Indien een land door een doordacht intern beleid een grotere emissiereductie realiseert, heeft het een overschot op zijn toegelaten quotum. Het Protocol laat toe dat dit overschot verkocht wordt aan landen:

  • die zelf meer denken te zullen uitstoten dan wat het Protocol hun toestaat
  • die zelfs met een zeer grote inspanning de norm niet zouden halen, of
  • waarvoor de kosten om hun broeikasgasuitstoot te verlagen zeer hoog zouden oplopen.

Dit systeem van emissiehandel (handel in uitstootrechten) zorgt ervoor dat de inspanningen op een economisch efficiënte manier worden verdeeld. Het gemeenschappelijke resultaat (de reductiedoelstelling) is hetzelfde, maar de totale kosten om die doelstelling te realiseren zijn lager.

Men voorziet dat vooral Rusland en de overige zgn. ‘overgangseconomieën’ een overschot zullen hebben zonder dat ze daar een bijkomende inspanning voor hoeven te doen. Deze landen hebben sinds 1990 immers een sterke daling van hun emissies gekend door de herstructurering van hun economieën na de val van het ijzeren gordijn. Omdat deze emissiereducties er gekomen zijn zonder specifieke beleidsmaatregelen, en omdat het hier dus eigenlijk niet gaat om het realiseren van emissiereducties daar waar dat het goedkoopst is, gebruikt men hiervoor soms de Engelse term ‘hot air trading’ of vrij naar het Nederlands vertaald: “handel in gebakken lucht”.

Dit wereldwijd systeem van emissiehandel, dat pas in 2008 officieel van start is gegaan (maar nog niet alle landen zijn "elektronisch verbonden"), mag niet verward worden met het “interne” systeem dat de Europese Unie - als voorloper op het wereldwijde handelsysteem - reeds in 2005 invoerde. In dit systeem kennen de lidstaten aan de op hun territorium gevestigde bedrijven met een zeer grote CO2-uitstoot ook een “toegewezen hoeveelheid” uitstootrechten toe, die ze kunnen verhandelen in functie van hun behoeften.

Er zijn echter belangrijke verschillen:

  • dit systeem werkt uitsluitend met één enkel broeikasgas (CO2)
  • het zijn de bedrijven die emissierechten uitwisselen, en geen landen
  • de handel is beperkt tot de Europese Unie 

Meer info over de Belgische emissiehandel vind je op de website www.climateregistry.be.

Partijen (landen) kunnen via projecten in het buitenland bijkomende emissierechten verwerven. Alnaargelang we te doen hebben met twee industrielanden of met de combinatie van een industrieland met een ontwikkelingsland, onderscheiden we twee verschilende projectgebonden mechanismen:

Joint Implementation (JI, Of Gezamenlijke Uitvoering)

In dit geval werken twee industrielanden samen om de uitstoot van broeikasgassen aan te pakken. Het donorland investeert daarbij in projecten voor emissievermindering in het gastland, in ruil voor de ‘emissiekredieten’ die deze projecten opleveren. Deze kredieten mag het donorland dan optellen bij zijn eigen emissierechten, terwijl deze bij het gastland afgetrokken worden. Zo’n samenwerkingssysteem, dat wordt aangeduid met de term ‘Gezamenlijke uitvoering’ of ‘Joint Implementation’, heeft zin als het voor de investeerder goedkoper is om in het gastland emissiereducties te realiseren dan in eigen land.

Clean Development Mechanism (CDM, Of Mechanisme Voor Schone Ontwikkeling)

Investeringen in projecten in ontwikkelingslanden, die de uitstoot van broeikasgassen doen reduceren, kunnen eveneens bijkomende emissierechten opleveren. Het donorland kan deze dan gebruiken om aan zijn verplichtingen te voldoen. Hiermee worden tevens schone technologieën in de ontwikkelingslanden geïntroduceerd. Het grote verschil met projecten van gezamenlijke uitvoering, is dat ontwikkelingslanden geen emissiereductieverplichtingen voor broeikasgassen opgelegd krijgen. Investeringen in ontwikkelingslanden genereren dus een netto-‘inflatie’ van het aantal emissiekredieten. Bovendien is het de bedoeling dat de projecten tevens de duurzame ontwikkeling in het gastland helpen realiseren.

In België lanceerden zowel de Vlaamse als de federale overheid een oproep voor JI/CDM-projecten ter verwerving van emissierechten in het buitenland.