De reductiedoelstellingen

De algemene doelstelling van het Klimaatverdrag wordt door het Protocol van Kyoto vertaald in een verplichting voor de industrielanden om hun uitstoot van broeikasgassen te beperken of terug te schroeven. De industrielanden krijgen m.a.w. een verbod om een bepaald “quotum” van emissierechten te overschrijden. Of positief uitgedrukt: het recht om een welbepaalde hoeveelheid broeikasgassen uit te stoten.

Dit quotum, ook wel “toegewezen hoeveelheid” genoemd, heeft betrekking op een verbintenisperiode, met name de periode 2008-2012 (5 jaar: eerste verbintenisperiode) en de periode 2013-2020 (8 jaar: tweede verbintenisperiode). Deze toegewezen hoeveelheid wordt uitgedrukt als een percentage van de uitstoot in het referentiejaar 1990 (bv. 97 %). Voor de industriële broeikasgassen mogen de betrokken partijen echter ook het jaar 1995 kiezen.

Praktisch gezien bedraagt de toegewezen hoeveelheid dus het product van dit percentage met 5 of 8 keer (respectievelijk voor de eerste en tweede verbintenisperiode) de uitstoot in het basisjaar: 

 

In het Protocol is afgesproken dat de industrielanden hun globale uitstoot van 6 broeikasgassen tijdens de periode van 2008 tot 2012 met gemiddeld 5,2 % verminderen ten opzichte van het emissieniveau van 1990. Tijdens de periode van 2013 tot 2020 wordt hieraan nog een 7de broeikasgas toegevoegd, NF3, en de globale reductiedoelstelling bedraagt dan 18 % ten opzichte van 1990. 

 

Concrete reductiedoelstellingen voor elk land 

Deze reducties worden niet gelijk verdeeld over alle landen. Zo hebben in de eerste periode de Europese Unie, Zwitserland en enkele Oost-Europese landen hun uitstoot met 8 % moeten verminderen, de Verenigde Staten met 7 % en Japan met 6 %. Voor de tweede periode is de Europese Unie een reductie van 20 % overeengekomen, Wit-Rusland 12 % en Australië 0,5 % ten opzichte van 1990.  

Het Protocol staat de partijen toe hun verplichtingen gezamenlijk te vervullen: ze kunnen m.a.w. hun verplichtingen onderling herverdelen zolang de gezamenlijke reductiedoelstelling maar gehaald wordt.

Van deze mogelijkheid heeft alleen de Europese Unie (EU-15) gebruikgemaakt. Binnen de EU hebben alle lidstaten een eigen (verschillende) reductiedoelstelling. Zo hoeft België bv. zijn uitstoot in de eerste verbintenisperiode slechts met 7,5 % te verminderen. Voor de tweede verbintenisperiode zal tussen de 28 lidstaten en IJsland een gezamenlijk toepassingsakkoord gelden, met iets andere voorwaarden dan het akkoord voor de eerste periode.

Deze reductiedoelstellingen zijn bindend. Op de naleving van deze doelstellingen en van de rapporteringsverplichtingen zal worden toegezien door een Conformiteitscomité, dat hiertoe de beschikking heeft over meerdere faciliterende of dwingende actiemiddelen (verplicht actieplan, uitsluiting van flexibiliteitsmechanismen, verlaging van de toegewezen hoeveelheid voor de volgende periode).

De ontwikkelingslanden krijgen van het Protocol geen reductieverplichtingen, hoewel een aantal onder hen (bv. China, Brazilië, India, Korea) in volle economische ontwikkeling zijn, en zeker in de toekomst een aanzienlijk deel van de emissies van broeikasgassen voor hun rekening zullen nemen. Deze eigenschap van het Protocol was voor de Russische Federatie, Japan en Nieuw-Zeeland de reden om hun verbintenissen onder de tweede periode niet te verlengen.