Adaptatie (aanpassing)

Doorheen de jaren is de beschikbare wetenschappelijke informatie (o.a. verzameld in de Assessment Reports van het IPCC) over de gevolgen van de klimaatverandering nu en in de toekomst sterk gegroeid. Met toenemende zekerheid kan de verwachte impact bij verschillende temperatuurscenario’s in kaart gebracht worden. Hieruit blijkt ook dat - zelfs met de meest stringente uitstootbeperkingen - landen en gemeenschappen geconfronteerd zullen worden met de gevolgen van klimaatverandering, en dat ze zich dan ook zullen moeten aanpassen.

De gevolgen van de klimaatverandering zullen het zwaarst zijn in die landen die het minst hebben bijgedragen aan de oorzaak ervan: de minst ontwikkelde landen, de kleine eilandstaten en de Afrikaanse landen. Bovendien beschikken de gemeenschappen in deze landen over de minste veerkracht (institutioneel, financieel, etc.).

Dat was de drijfveer voor het plaatsen van het adaptatievraagstuk op de internationale klimaatagenda. Sinds adaptatie in 2007 in Bali werd geïdentificeerd als één van de 5 sleutelelementen of ‘building blocks’ van een toekomstige klimaatdeal, is dit thema uitgegroeid tot een van de twee pijlers (samen met mitigatie) van het internationale klimaatbeleid. Adaptatie en mitigatie dienen in parallel te worden aangepakt, elkaar complementerend en met de nodige financiële en technologische ondersteuning. De onderhandelingen leidden tot de aanname van het ‘Cancún Adaptation Framework’ (CAF) in 2010, als onderdeel van de zogenaamde ‘Akkoorden van Cancún’. Het CAF moet zorgen voor een gecoördineerd en internationaal coherent klimaatbeleid en bevat 5 actiedomeinen (clusters):

  • Implementatie : alle landen moeten adaptatie-activiteiten aanduiden en implementeren. Er werd ook een proces opgestart dat de minst ontwikkelde landen en andere ontwikkelingslanden moet ondersteunen bij het formuleren en implementeren van Nationale Adaptatieplannen (NAPs). Tenslotte werd ook een werkprogramma voor de aanpak van ‘Loss & damage’ (schade en verlies) in gang gezet.
  • Ondersteuning : de ontwikkelde landen gaan akkoord om ontwikkelingslanden met de nodige financiering, technologie en capaciteitsopbouw te ondersteunen.
  • Instellingen : de creatie van een ‘Adaptation Committee’ op internationaal niveau om de coherentie van de implementatie van adaptatie-activiteiten te overzien; het versterken en waar nodig oprichten van regionale centra en netwerken alsook het aanduiden van nationale instellingen.
  • Een aantal leidende principes, zoals de erkenning dat adaptatieprioriteiten op nationaal niveau (en niet op internationaal niveau) worden bepaald, het belang van gendergelijkheid, de bescherming van kwetsbare groepen, het belang om adaptatie te integreren in andere beleidsdomeinen, het gebruik van wetenschappelijke informatie en inheemse kennis, enz.
  • Het belang om stakeholders te engageren.

Verder bestaan op internationaal niveau ook de volgende instellingen en werkprogramma’s:

  • De Expertengroep voor de minst ontwikkelde landen (LEG) werd opgericht in 2001 en geeft technische ondersteuning en advies aan de minst ontwikkelde landen bij het opstellen en implementeren van hun adaptatiebeleid.
  • De Nationale Adaptatie-actieprogramma’s (NAPA’s) laten de minst ontwikkelde landen toe om adaptatie-activiteiten te identificeren die prioriteit moeten krijgen aangezien uitstel tot een toegenomen kwetsbaarheid en hogere kosten zou kunnen leiden.
  • Het Nairobi Work Programme (NWP) werd in 2005 opgericht met de doelstelling de opbouw en verspreiding van kennis over adaptatie te faciliteren en aan te sporen.
  • Aangezien mitigatie en adaptatie niet volstaan om alle aan de klimaatverandering gerelateerde risico’s te vermijden, werd in 2013 het Warsaw International Mechanism for Loss and Damage associated with Climate Change Impacts (WIM) opgericht, met als taak de aanpak van verlies en schade ten gevolge van klimaatverandering in de meest kwetsbare ontwikkelingslanden te overzien. Het betreft hier economische en niet-economische schade en verlies door zowel plotse extreme weersomstandigheden (bv. een orkaan) als geleidelijke wijzigingen  – zogenaamde ‘slow onset events’ (bv. de stijging van de zeespiegel).

Verder zijn de discussies over adaptatie heel nauw verbonden met de discussies over de financiering, waarbij duidelijk is dat de financiële steun voor adaptatie momenteel ontoereikend is. Om hierop een antwoord te bieden en om de gelijkwaardigheid tussen mitigatie en adaptatie in de praktijk te brengen, werd beslist dat 50% van de klimaatfinanciering die via het Green Climate Fund (GCF) stroomt, aan adaptatie zal besteed worden.