DE INTERNATIONALE FINANCIERING VAN DE STRIJD TEGEN KLIMAATVERANDERING

De bijdragen van de verschillende landen aan de klimaatverandering en hun capaciteit tot matiging van en aanpassing aan de gevolgen ervan, lopen enorm uiteen. Daarom voorziet het Kaderverdrag in zijn algemene principes in een financiële verplichting van rijkere landen om de armere (of meer kwetsbare) landen te helpen de schadelijke gevolgen van de klimaatverandering het hoofd te bieden en hun broeikasgasemissies te verminderen.

Op dit ogenblik zijn alleen de landen die onder Bijlage II van het Kaderverdrag vallen (de landen die deel uitmaken van de OESO, met uitzondering van de overgangseconomieën) verplicht om de ontwikkelingslanden financieel te ondersteunen.

Hiertoe heeft het Verdrag een financieel mechanisme gecreëerd dat door meerdere internationale entiteiten wordt beheerd. Traditioneel is het belangrijkste kanaal van dat mechanisme het Wereldmilieufonds, beter bekend onder de naam GEF (Global Environment Facility).

Door de jaren heen hebben de partijen van het Verdrag dit financiële mechanisme uitgebreid met vier speciale fondsen:

  • het “Least Developed Countries Fund” (LDCF), beheerd door de GEF;
  • het “Special Climate Change Fund” (SCCF), beheerd door de GEF;
  • het Adaptatiefonds;
  • het Groen Klimaatfonds (Green Climate Fund – GCF), dat uiteindelijk moet uitgroeien tot het grootste multilaterale kanaal voor internationale financiële steun voor het klimaat.

Het beleid, de prioriteiten en de aanvaardbaarheidscriteria van die Fondsen worden afgesproken door de Conferentie van de Partijen (COP).

Naast de instellingen onder de bescherming van het Verdrag spelen ook nog tal van andere actoren een belangrijke rol in de financiering van de activiteiten inzake matiging van en aanpassing aan de klimaatverandering in de ontwikkelingslanden. De internationale klimaatfinanciering vindt vooral plaats via multilaterale (de Wereldbank of andere ontwikkelingsorganisaties) of bilaterale actoren (de diensten voor ontwikkelingssamenwerking).

De internationale klimaatfinanciering speelt niet alleen een cruciale rol in de strijd tegen klimaatverandering in de armste en meest kwetsbare landen, maar versterkt ook het vertrouwen tussen de verschillende landen die over het nieuwe klimaatakkoord onderhandelen en verhoogt zo ook het finaal ambitieniveau van dit akkoord. De besprekingen over het onderwerp zijn echter allesbehalve eenvoudig, want de beschikbare bedragen zijn momenteel nog onvoldoende om aan de behoeften en verwachtingen van de ontwikkelingslanden tegemoet te komen, en de snelle ontwikkelingen van de internationale economische situatie maken de situatie nog gecompliceerder.

 

In het hart van de onderhandelingen

Het Bali-actieplan, dat werd goedgekeurd in 2007 tijdens COP 13 in Bali, heeft van de financiering één van zijn belangrijkste thema’s (‘building blocks’) gemaakt. Enkele jaren later kwamen de Akkoorden van Kopenhagen (2009) en Cancún (2010) met een aantal concrete engagementen in die richting:

  • De ontwikkelde landen verbinden zich ertoe 30 miljard US dollar aan nieuwe en bijkomende middelen te bezorgen aan de ontwikkelingslanden gedurende de periode 2010-2012. Deze verbintenis wordt gewoonlijk aangeduid met de term “Fast-Start Finance”;
  • Op langere termijn verbinden de ontwikkelde landen zich ertoe om jaarlijks 100 miljard US dollar vrij te maken tegen 2020 om de ontwikkelingslanden te helpen in hun strijd tegen de klimaatverandering. Deze bedragen zullen afkomstig zijn uit verschillende overheids- en privébronnen en via verschillende bilaterale en multilaterale kanalen worden overgemaakt;
  • De Akkoorden van Cancún (2010) hebben op hun beurt geleid tot de oprichting van een nieuw fonds: het Green Climate Fund. Er werd onmiddellijk een Raad van Bestuur opgericht dat dit fonds in 2014 operationeel maakte, nadat een campagne voor mobilisatie van startgeld voor het Fonds meer dan 10,2 miljard US dollar had opgeleverd voor de periode 2015-2018; 
  • Krachtens dezelfde akkoorden werd ook een Standing Committee opgericht met als taak de Conferentie van de Partijen (COP) bij te staan bij de uitvoering van haar opdrachten met betrekking tot het financieringsmechanisme van het Verdrag.


Belgische toezeggingen op het vlak van klimaatfinanciering

Als Bijlage II-land van het UNFCCC is ook België verplicht de ontwikkelingslanden financiële middelen te verschaffen. De verschillende Belgische entiteiten delen tezamen de last van die verbintenissen, maar het merendeel wordt gedragen door de Belgische Ontwikkelingssamenwerking.

In de periode 2010-2012 heeft België op die manier maar liefst 92,56 miljoen euro aan de partnerlanden bezorgd om de klimaatverandering het hoofd te bieden, en met name de minst ontwikkelde Afrikaanse landen geholpen zich voor te bereiden op de toekomstige gevolgen van die verandering voor de kwetsbaarste bevolkingsgroepen.

In december 2014 heeft België zich ten slotte onderscheiden door de toezegging van ten minste 51,6 miljoen euro voor de mobilisatie van startgeld voor het Groen Klimaatfonds (GCF), dat uiteindelijk het grootste multilaterale kanaal voor klimaatfinanciering moet worden.

Meer informatie is beschikbaar in de Zesde Nationale Mededeling (p. 142-175). 

 

Toch zijn er nog veel zaken onzeker

Enkele van de belangrijkste kwesties die tot op heden onbeslist bleven zijn onder meer:

  • De “MRV of support”, d.i. de versterkte transparantie en coördinatie van de rapportering van de verschillende landen in verband met hun bijdrage aan de internationale financiering;
  • De exacte bedragen die door de rijkere landen aan de armste en kwetsbaarste ontwikkelingslanden betaald worden in de periode vóór 2020 (2015-2020);
  • De uitbreiding van de klimaatfinanciering verstrekkende landen met andere landen dan degene die onder Bijlage II van het UNFCCC vallen (in het bijzonder opkomende landen), om de ontwikkelingen van de wereldeconomie in de afgelopen decennia beter te weerspiegelen;
  • De rol van de privésector in de internationale financiële verbintenissen en de maatregelen die in de ontwikkelde landen en de ontwikkelingslanden genomen moeten worden om de mobilisatie ervan te bevorderen (vooral met betrekking tot de aanpassingsactiviteiten waarvoor het moeilijker is om particuliere beleggers aan te trekken);
  • Het al dan niet opnemen van juridisch bindende financiële toezeggingen in het Akkoord van Parijs, op welk niveau en vooral voor welke landen.
  • Het identificeren en operationeel maken van de financieringsbronnen die in staat zijn om de bovenvermelde bedragen vrij te maken;


Meer informatie: