De verplichtingen van het Klimaatverdrag

UFCCCDe verplichtingen van de Partijen staan vermeld in artikel 4 van het Verdrag. Dit verplicht de Partijen een nationaal beleid aan te nemen en de bijhorende maatregelen te nemen om de klimaatverandering te beperken.

Uit dit beleid moet volgens hetzelfde artikel blijken dat deze landen: ‘… het voortouw nemen inzake het ombuigen van de tendensen (…) erkennend dat de terugkeer aan het einde van dit decennium naar vroegere niveaus van antropogene emissies van CO2 en andere broeikasgassen (…) bijdraagt tot die ombuiging’.

Deze nogal ondoorzichtige omschrijving van de doelstelling voor de geïndustrialiseerde wereld wordt algemeen geïnterpreteerd als een engagement van deze landen om tegen het jaar 2000 de emissies van broeikasgassen terug te brengen tot op het niveau van 1990.

Een aantal van de in artikel 4 van het Klimaatverdrag opgesomde verplichtingen zijn gemeenschappelijk voor alle Partijen, terwijl een aantal specifiek gericht zijn naar de ontwikkelde landen. De voornaamste zijn:

Alle Partijen hebben de verplichting

  • nationale programma’s uit te werken ter bestrijding van klimaatverandering
  • de nodige technologieën en processen in alle relevante sectoren te introduceren
  • samen te werken in de voorbereiding van aanpassingen aan de gevolgen van klimaatverandering en geïntegreerde plannen op te maken
  • hun koolstofputten (bossen) duurzaam te beheren
  • klimaatoverwegingen te integreren in het beleid
  • klimaatonderzoek te ondersteunen
  • sensibilisatie- en educatieprogramma’s te bevorderen en de participatie van het publiek aan te moedigen
  • emissie-inventarissen in te dienen
Bijlage 1-landen (de industrielanden) moeten bovendien
  • de emissies van broeikasgassen tegen 2000 terugbrengen tot op het niveau van 1990
  • details i.v.m. nationale programma’s voorleggen
  • een veel striktere rapportering voorleggen (emissie-inventarissen en nationale mededelingen)

Bijlage 2-landen moeten

  • de financiering op zich nemen van de kosten die ontwikkelingslanden maken om te voldoen aan hun rapporteringsverplichtingen
  • financiële middelen voorzien voor de naleving door de ontwikkelingslanden van de overige verplichtingen (met bv. steun voor technologie-overdracht)

Artikel 17 van het Verdrag voorziet in de mogelijkheid voor de Conferentie van de Partijen, het hoogste beslissingsorgaan van het Verdrag, om Protocols bij het Verdrag af te sluiten. Reeds tijdens de eerste zitting van die Conferentie van de Partijen (in Berlijn in 1995) werd door de meer dan 120 landen die toen het Verdrag hadden geratificeerd vastgesteld dat de engagementen in artikel 4.2 (a) en (b) van het Klimaatverdrag niet toereikend waren om de uiteindelijke doelstellingen van het Verdrag te verwezenlijken. Via de aanname van het Mandaat van Berlijn werd dan ook een proces op poten gezet om versterkte verbintenissen voor ontwikkelde landen te onderhandelen. Dit proces mondde in 1997 uit in de aanname van het Protocol van Kyoto