Mitigatie (vermindering van de uitstoot)

De ultieme doelstelling van het Klimaatverdrag is (volgens artikel 2):

"om de concentraties van broeikasgassen in de atmosfeer te stabiliseren op een niveau dat gevaarlijke menselijke interferentie met het klimaatsysteem voorkomt. Dit niveau dient te worden bereikt binnen een tijdsbestek dat toereikend is om ecosystemen in staat te stellen zich op natuurlijke wijze aan te passen aan klimaatverandering, te verzekeren dat de voedselproductie niet in gevaar komt en de economische ontwikkeling op duurzame wijze te doen voortgaan.” 

Het reduceren van de uitstoot is dus de kern van het multilaterale klimaatbeleid. Toch zijn de bepalingen in het Klimaatverdrag op dit vlak eerder bescheiden. De ontwikkelde landen moeten nationale beleidsmaatregelen aannemen en hierover communiceren, en steun verlenen aan ontwikkelingslanden. Van concrete bindende doelstellingen is nog geen sprake. 

Bij de eerste herziening van deze bepalingen werd dan ook besloten om werk te maken van kwantitatieve nationale doelstellingen (Quantitative Emission Reduction and Limitation Objectives – QELRO’s).  Het resultaat van deze onderhandelingen was het Kyoto Protocol met bindende doelstellingen voor ontwikkelde landen (Bijlage 1-landen). 

Het overgrote deel van de uitstoot is afkomstig van het verbranden van fossiele brandstoffen om energie op te wekken voor elektriciteitsproductie, de industrie, het transport of in de gebouwensector. De sector van het landgebruik is een buitenbeentje. Deze sector is verantwoordelijk voor de uitstoot van broeikasgassen (vb. bosbranden, methaanemissies van rijstvelden en veeteelt), maar kan ook koolstof opnemen door fotosynthese of door opslag in de bodem.  Hiervoor, en omwille van de onzekerheden en methodologische moeilijkheden om dit te meten, wordt voor deze sectoren een specifieke benadering toegepast.

 Met het Kyoto Protocol maakten ook de marktmechanismen hun intrede in het klimaatbeleid. Deze mechanismen laten toe dat landen emissiereducties, die buiten hun grenzen gerealiseerd werden, in rekening kunnen brengen om hun doelstellingen te bereiken.  

Tenslotte zijn er de emissies die het gevolg zijn van internationale scheepvaart en luchtvaart. Deze emissies, die wereldwijd nog steeds toenemen, worden niet opgenomen in de verbintenissen om de uitstoot te reduceren, en vragen dus om een aanpak ‘op maat’.

 

Snel na de inwerkingtreding van het Klimaatverdrag werd al duidelijk dat het algemene engagement van de ontwikkelde landen om een nationaal beleid te ontwikkelen en daarover te communiceren, niet toereikend zou zijn voor de al even algemene doelstelling om de emissies terug te brengen naar het niveau van 1990.

REDD+ is een mechanisme dat economische stimulansen geeft aan ontwikkelingslanden die hun CO2-uitstoot ten gevolge van ontbossing en bosdegradatie verminderen.

Via artikel 4.2. laat het Verdrag de Partijen toe om samen te werken en elkaar te helpen om bij te dragen tot het doel van het Verdrag. Op basis van dit artikel hebben de Partijen op de COP.1 in Berlijn beslist om een proeffase in te bouwen voor ‘gezamenlijk uitgevoerde activiteiten’ (AIJ – Activities Implemented Jointly).

Artikel 2.2 van het Protocol van Kyoto draagt de ‘Bijlage 1’-landen op om beperkingen of reducties van de uitstoot van broeikasgassen na te streven binnen de lucht- en scheepvaartsector door te werken via respectievelijk de International Civil Aviation Organisation (ICAO) en de International Maritime Organisation (IMO).