Marktmechanismen 

Via artikel 4.2. laat het Verdrag de Partijen toe om samen te werken en elkaar te helpen om bij te dragen tot het doel van het Verdrag. Op basis van dit artikel hebben de Partijen op de COP.1 in Berlijn beslist om een proeffase in te bouwen voor ‘gezamenlijk uitgevoerde activiteiten’ (AIJ – Activities Implemented Jointly). Deze activiteiten moesten zich vertalen in op lange termijn meetbare voordelen waarover op een transparante wijze verantwoording moest worden afgelegd. Zelfs indien deze activiteiten geen kredieten konden genereren, diende de ervaring, opgedaan via deze proefactiviteiten, als basis voor de latere flexibiliteitsmechanismen van het Kyotoprotocol: het Clean Development Mechanism of CDM (Mechanisme voor schone ontwikkeling) en de Joint Implementation of JI (gezamenlijke toepassing).

Momenteel wordt dit artikel van het Verdrag nog altijd beschouwd als een basis voor de flexibiliteitsmechanismen, die meer bepaald voor deze die op termijn die van het Kyotoprotocol zouden kunnen vervangen. Het risico bestaat immers dat deze na 2020 (wanneer de tweede periode van het Kyotoprotocol verstrijkt) niet meer zouden functioneren. 

Zodoende hebben de Partijen in Durban en daarna in Doha, onder impuls van de EU, een ‘nieuw marktmechanisme’ (NMM – New Market Mechanism) gedefinieerd dat moet leiden tot “reële, permanente en geverifieerde” emissiereducties. Het amendement van Doha maakt het zelfs mogelijk dat de door het NMM gegenereerde eenheden door de ontwikkelde landen kunnen worden gebruikt om hun doelstellingen te realiseren tijdens de tweede verbintenisperiode van het Kyotoprotocol.

Sinds Doha hebben de verschillende visies van de ontwikkelde landen en de ontwikkelingslanden het moeilijk gemaakt om regels voor de werking van het NMM te definiëren. De meeste ontwikkelingslanden willen dat het CDM na 2020 behouden blijft, maar de ontwikkelde landen willen het na 2020 vervangen zien door het NMM. Het NMM zou nuttige elementen uit het CDM kunnen overnemen en alle daarmee opgedane ervaring hergebruiken, mits aanpassing van deze elementen aan de context van het nieuwe akkoord (hier zou men willen afzien van de opdeling tussen ontwikkelde landen en ontwikkelingslanden zoals die in het CDM is verankerd). 

De inhoud van het Akkoord van Parijs zal beslissend zijn en zal moeten bepalen wat er na 2020 verder door de Partijen kan worden gebruikt. De EU hoopt dat het nieuwe akkoord het nut van de marktmechanismen zal erkennen en dat er werkzaamheden zullen worden opgestart om nog vóór 2020 de uitvoeringsregels van deze mechanismen te bepalen om zo de basis te leggen voor een nieuwe koolstofmarkt na 2020.