Nationale doelstellingen 

Snel na de inwerkingtreding van het Klimaatverdrag werd al duidelijk dat het algemene engagement van de ontwikkelde landen om een nationaal beleid te ontwikkelen en daarover te communiceren, niet toereikend zou zijn voor de al even algemene doelstelling om de emissies terug te brengen naar het niveau van 1990. 

Bij de eerste herziening van de bewuste bepalingen van het Klimaatverdrag werd dit ook vastgesteld en werden onder het Mandaat van Berlijn onderhandelingen opgestart over gekwantificeerde doelstellingen voor de ontwikkelde landen. Deze onderhandelingen leidden tot het Kyoto Protocol, waarbij de ontwikkelde landen gezamenlijk hun broeikasgasuitstoot met minstens 5% t.o.v. 1990 zouden reduceren in de periode 2008-2012. Aan deze algemene doelstelling werd in een Bijlage B een individuele doelstelling per land toegevoegd. Voor de toenmalige lidstaten van de Europese Unie bedroeg de doelstelling 8%, gezamenlijk te bereiken. De interne Europese lastenverdeling leidde tot een Belgische doelstelling van -7,5%. De Verenigde Staten traden uiteindelijk niet toe tot het Kyoto Protocol en Canada trok zich op een gegeven ogenblik terug. In deze fase viel dus slechts een beperkt aandeel van de globale emissies onder kwantitatieve doelstellingen. 

Toen in 2005 de onderhandelingen over een tweede verbintenissenperiode werden opgestart, werd dan ook tegelijk een dialoog opgestart om te verkennen hoe de landen, die geen doelstellingen hadden onder het Kyoto Protocol (de VS, Canada en alle ontwikkelingslanden), zouden kunnen bijdragen tot de globale inspanningen. In 2007 schaarden alle partijen zich achter het Bali Action Plan, dat zou moeten leiden tot een akkoord in Kopenhagen (eind 2009) met voor de ontwikkelde landen ‘kwantitatieve verbintenissen of acties ter vermindering van de uitstoot’, en voor de ontwikkelingslanden ‘nationaal aangepaste maatregelen' ter vermindering van de uitstoot, ondersteund door de ontwikkelde landen (NAMAs – Nationally Appropriate Mitigation Actions). 

De klimaattop van Kopenhagen leverde uiteindelijk niet het verwachte globale akkoord op, maar een dispers landschap met niet-bindende absolute doelstellingen voor ontwikkelde landen en acties van verschillende aard (waaronder ook een aantal relatieve doelstellingen) voor een grote groep van ontwikkelingslanden, dit alles voor de periode 2013-2020. Bovendien engageerde de EU er zich tijdens de klimaattop in Durban (2011) samen met enkele andere Europese landen toe om zijn doelstelling (-20% in 2020 t.o.v. 1990) internationaal bindend te maken onder een tweede verbintenissenperiode onder het Kyoto Protocol. Dit engagement werd geformaliseerd in Doha, eind 2012. 

Nog in Durban tenslotte werden met het Durban Platform de onderhandelingen voor een post-2020-akkoord onder het Klimaatverdrag, van toepassing op alle landen, opgestart.

 

Het Durban Platform 

Op de klimaatconferentie van Durban (2011) werd een akkoord bereikt om onderhandelingen onder het ‘Durban platform’ op te starten. Ze verlopen onder 2 onderhandelingssporen met betrekking tot:

In Durban (2011) werd het ’Durban Platform for Enhanced Action’  (ADP) opgericht, met als mandaat om tegen 2015 een nieuw protocol of een ander wettelijk instrument onder het Klimaatverdrag te onderhandelen, dat in 2020 in werking zal treden. Onder dit nieuwe protocol zouden alle landen verbintenissen voor de periode post-2020 opnemen, terwijl er voor de periode  pre-2020 ook geprobeerd zou moeten worden om de  ‘kloof’ te dichten tussen de vooropgestelde doelstellingen en de noodzakelijke emissiereducties, om zo de temperatuurstijging onder de 2°C te houden. De goede samenwerking tussen de Europese Unie en de kwetsbare landen (Minst Ontwikkelde Landen en kleine eilandstaten) was hierin doorslaggevend. 

Het gaat om een omvattend akkoord, waarin alle partijen doelstellingen moeten opnemen, en dat volgens het onderhandelingsmandaat uit volgende bouwstenen zal bestaan :

  • vermindering van de uitstoot
  • aanpassing aan de klimaatverandering
  • financiering
  • ontwikkeling en overdracht van technologie
  • transparantie van actie en ondersteuning
  • capaciteitsopbouw 

De onderhandelingen onder de ADP evolueerden van een fase, waarin de verschillende partijen vooral van ideeën wisselden over wederzijdse voorstellen, naar een fase waarin tekstvoorstellen op tafel werden gelegd.

Op de ADP-sessie in Genève (februari 2015) werd de laatste hand gelegd aan de officiële onderhandelingstekst, die in alle officiële VN-talen vertaald werd, en tot de klimaatconferentie in Parijs (eind 2015) de formele onderhandelingsbasis zal blijven. 

In Bonn (juni 2015) werd een begin gemaakt met het stroomlijnen van deze tekst en werd ook het mandaat gegeven aan de co-voorzitters van de ADP om tijdens de zomer een verder gestroomlijnde  en gestructureerde versie van de tekst op te maken, die de basis zal zijn voor de politieke onderhandelingen tijdens de Bonn-sessies in september en oktober, en tenslotte in Parijs.

In Warschau (2013) en vervolgens in Lima (2014) werden ook afspraken gemaakt betreffende het bepalen van de inhoud en de timing voor het indienen van de “Vooropgestelde Nationaal Bepaalde Bijdragen” (INDC - Intended Nationally Determined Contribution), waartoe de partijen zich zullen engageren in de context van het post-2020 akkoord. De Europese Unie heeft zijn INDC (ten minste 40% reductie tegen 2030 ten opzichte van 1990) op 6 maart 2015 kenbaar gemaakt.  

Een van de beslissingen die in Durban (2011) genomen werden, vermeldt dat er een belangrijke ‘gap’ is tussen:

  • de voorgestelde emissiereducties die de Partijen tegen 2020 willen bereiken
  • de emissiereducties die zouden toelaten om de opwarming beneden de 2°C te houden 

Diezelfde beslissing  heeft daarom ook een werkprogramma opgestart dat het ambitieniveau vóór 2020 wil verhogen, namelijk door het identificeren van acties die zouden toelaten deze kloof zo efficiënt mogelijk te dichten (“to close the emission gap”). 

Elk jaar publiceert UNEP een « Emission Gap Report » die de te overbruggen kloof kwantificeert. Eind 2014 gaf dit rapport aan dat tegen 2020 een bijkomende reductie van 8 à 10 gigaton CO2-equivalenten nodig was om de 2°C-doelstelling binnen bereik te houden.  Dit rapport identificeert ook de kostenefficiënte acties die ondernomen kunnen  worden, en de barrières die hen in de weg staan.  

Bewust van het belang om deze acties te lanceren en de barrières zo snel mogelijk weg te werken, hebben de Partijen besloten een “technisch proces” (Technical Examination Process – TEP) te lanceren om een onderzoek te voeren naar het efficiëntste beleid, de barrières maar ook de stimulansen en steun, die nodig zijn voor een grootschalige verspreiding. 

Sindsdien werden - parallel aan de onderhandelingssessies - technische vergaderingen georganiseerd rond specifieke thema’s zoals hernieuwbare energie, energie-efficiëntie, CO2-opslag, bodemgebruik, steden,… De NGO’s nemen hieraan actief deel en het Secretariaat onderhoudt een website die de geïdentificeerde acties en hun opportuniteiten en barrières oplijst.  

Idealiter zou dit proces voor 2020 moeten leiden tot een lijst met beleidsmaatregelen die geïmplementeerd moeten worden om het ambitieniveau te verhogen, zodat de kloof tussen de huidige engagementen en deze nodig om de 2°C-doelstelling te bereiken, gedicht wordt.