'Measuring, Reporting and Verification' (MRV)

Het begrip ‘MRV’ - Measuring, Reporting and Verification - staat voor een geheel van processen en procedures die toelaten om factuele informatie (gegevens) te verzamelen, daarover te rapporteren, en deze te evalueren en verifiëren, met de bedoeling om na te gaan of, wanneer en hoe landen hun respectievelijke verplichtingen nakomen.

Het systeem dat oorspronkelijk door het VN-Klimaatverdrag (UNFCCC) en het Protocol van Kyoto ingevoerd werd, voorziet in een rapportering over de reductie van de uitstoot van broeikasgassen en een hulp van de ontwikkelde landen aan de ontwikkelingslanden, zowel op financieel en technologisch vlak, als op het vlak van capacity building.

Het systeem onder het VN-Klimaatverdrag is verschillend van dat van het Protocol van Kyoto, waarvan de partijen opgenomen in Bijlage 1 van het Protocol (ontwikkelde landen) zich geëngageerd hebben om hun uitstoot met een bepaald percentage te verminderen (artikels 5, 6, 7, 8 en 12 van het Protocol).

 

De term ‘MRV’ is ontstaan tijdens de Conferentie van de partijen, georganiseerd in Bali in 2007 (COP 13). Die conferentie resulteerde in een actieplan (Bali Action Plan), preciserend dat:

  • de engagementen van de ontwikkelde landen op het vlak van matiging (mitigation) meetbaar, mededeelbaar en verifieerbaar moeten zijn, met inbegrip van concrete doelstellingen voor de beperking of de reductie van de uitstoot, erover wakend dat de inspanningen van de partijen vergelijkbaar zijn, rekening houdend met de bestaande verschillen tussen de lidstaten;
  • de ontwikkelingslanden in het kader van een duurzame ontwikkeling op een meetbare, mededeelbare en verifieerbare wijze gestaag maatregelen moeten nemen voor matiging, door middel van technologieën, financiële middelen en een competentieversterking.

Het Bali Action Plan vereiste dus een wijziging van het MRV-systeem dat onder UNFCCC ingevoerd was, dat nu ook van toepassing is op de ontwikkelde landen die niet onder het Protocol van Kyoto vallen en op de ontwikkelingslanden die als ‘grote uitstoters’ (major emitters) beschouwd worden, nl. China, India, Brazilië en Zuid-Afrika (de ‘BASIC’-groep).

Het MRV-systeem heeft tot doel de milieu-integriteit van het internationaal klimaatbeleid te garanderen door landen te responsabiliseren, de geloofwaardigheid en de coherentie van hun matigingsacties te verhogen en de effectieve toepassing van de acties en hun resultaten te verzekeren.

 

Het Akkoord van Kopenhagen (2009) heeft vorm gegeven aan een bijkomende stap in de definiëring van dit nieuwe systeem door te stellen dat:

  • de emissiereducties van de ontwikkelde landen en de financiële middelen die aan de ontwikkelingslanden gegeven worden, gemeten, bekendgemaakt en geverifieerd moeten worden, en dat de boekhouding van die doelstellingen en financiële middelen rigoureus, betrouwbaar en transparant moet zijn
  • de ontwikkelingslanden om de twee jaar een rapport over de genomen matigingsmaatregelen moeten voorleggen. Die maatregelen moeten op nationaal vlak gemeten, bekendgemaakt en geverifieerd worden. De rapporten worden voorgelegd voor een bespreking en analyse op internationaal niveau. De matigingsmaatregelen waarvoor een internationale steun wordt gevraagd, worden opgenomen in een register (net zoals de technologieën, de financiële middelen en de steun aan de capaciteitsopbouw) en aan het internationaal MRV-systeem  voorgelegd.

Het Akkoord van Kopenhagen heeft een bijkomende uitdaging voor het MRV-systeem toegevoegd door het de rol van ‘overbrenger van vertrouwen’ tussen landen te geven: door zowel de matigingsacties als de financieringsverplichtingen van de ontwikkelde landen op een transparante manier bekend te maken, zou er tussen de landen onderling een vertrouwen moeten worden gecreëerd, wat zal moeten toelaten een ‘post 2012’-regime uit te bouwen. Dat systeem zou ook moeten toelaten de nodige gegevens te verzamelen om na te gaan of de partijen van het VN-Klimaatverdrag samen effectief op weg zijn om de klimaatopwarming beneden de 2°C te houden.

 

De Akkoorden van Cancún (2010) hebben geleid tot een precisering van de aard van de verplichte rapportering en van de controleprocessen voor de gegevens:

  • de ontwikkelde landen zullen om de 2 jaar een rapport moeten voorleggen met niet alleen de informatie betreffende hun engagementen op het vlak van matiging, maar ook op het vlak van financiële en technologische steun en steun voor capaciteitsopbouw die ze aan de ontwikkelingslanden toegekend hebben. Die informatie zal het voorwerp zijn van een internationaal controle- en evaluatieproces (International Assessment and Review);
  • de ontwikkelingslanden zullen om de 2 jaar een rapport moeten voorleggen over hun acties op het vlak van matiging, maar ook op het vlak van financiële en technologische steun en steun voor capaciteitsopbouw die ze ontvangen hebben. Die informatie zal het voorwerp zijn van een internationaal besprekings- en analyseproces (International Consultation and Analysis).

 

De “resultaten van Durban” (Durban Outcomes) scheppen de voorwaarden voor de implementatie van beide in de Akkoorden van Cancún gecreëerde processen. De processen, die steunen op Tweejaarlijkse rapporten (om de 2 jaar) en Nationale Mededelingen (om de 4 jaar), maken zowel deel uit van het overgangsregime voor 2013-2020 onder het VN-Klimaatverdrag als de verlenging van het systeem van Kyoto (tot 2020). De inhoud en de vereisten van die rapporten verschillen voor de landen die onder Bijlage I van het Verdrag vallen en de landen die niet onder die bijlage vallen.  

 

Het internationale besprekings- en analyseproces heeft volgens artikel 1 van Bijlage IV bij Besluit 2/CP.17 ten doel om, door middel van een analyse door technische experts in overleg met de betrokken partij, en dankzij een eenvoudiger ideeënuitwisseling, de transparantie van de matigingsacties en hun effecten te vergroten, zodat op grond daarvan een samenvattend rapport kan worden opgesteld. De beoordeling van het al dan niet gepaste karakter van de nationale beleidslijnen en maatregelen is geen onderdeel van dat proces. Bijlage III bij dit Besluit bevat de richtlijnen voor de tweejaarlijks bijgewerkte rapporten van de Partijen die niet onder Bijlage I van het Verdrag vallen. 

 

De Conferentie van Warschau (COP.19) heeft toegelaten de laatste implementatiedetails te regelen van het proces door de samenstelling, modaliteiten en procedures te bepalen van het team van technische experts dat verantwoordelijk zal zijn voor de technische analyse van de tweejaarlijkse rapporten van de Partijen die niet onder Bijlage I van het Verdrag vallen (Besluit 20/CP.19). 

Het internationale besprekings- en analyseproces (Bijlage II van het Besluit) is o.a. bedoeld om :

  • de geboekte vooruitgang inzake emissiereducties te beoordelen
  • de financiële en technologische steun en steun voor capaciteitsopbouw, verstrekt aan partijen die ontwikkelingslanden zijn, te beoordelen
  • voor de hele economie de uitstoot en absorptie van broeikasgassen op een strikte, betrouwbare en transparante manier te beoordelen in verhouding tot de cijferdoelen voor emissiereductie, rekening houdend met de nationale situatie, teneinde de vergelijkbaarheid te bevorderen en het vertrouwen te vergroten.

Bijlage I van het Besluit bevat de richtlijnen van het VN-Klimaatverdrag voor de opstelling van tweejaarlijkse rapporten van partijen die ontwikkelingslanden zijn.